ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ2201
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over uitleg artikel 241c lid 2 Faillissementswet en voorrang stil pandrecht op fiscaal bodemvoorrecht
De zaak betreft een geschil tussen Rabobank en DLL, houders van een stil pandrecht op bodemzaken van Danvo B.V., en de curator in het faillissement van Danvo. Na verlening van surséance van betaling met een afkoelingsperiode weigerde de bewindvoerder de verpande zaken af te geven, waarna Danvo failliet werd verklaard. Rabobank en DLL vorderen dat hun stil pandrecht voorrang heeft op het fiscaal bodemvoorrecht van de fiscus.
Partijen zijn het eens over de feiten en de meeste juridische aspecten, maar verschillen van mening over de uitleg van artikel 241c lid 2 Faillissementswet. Rabobank en DLL pleiten voor een ruime uitleg die hun pandrecht beschermt, ook zonder bodembeslag tijdens de afkoelingsperiode, verwijzend naar het Singulus-arrest. De curator betwist deze uitleg en benadrukt het doel en systeem van de Faillissementswet.
De rechtbank oordeelt dat aan de voorwaarden voor het stellen van een prejudiciële vraag is voldaan vanwege het principiële karakter, het gebrek aan jurisprudentie en de maatschappelijke relevantie. De rechtbank stelt de vraag aan de Hoge Raad en bepaalt dat de zaak na beantwoording door de Hoge Raad zal worden voortgezet. De uitspraak is gewezen door drie rechters en op 20 februari 2013 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank stelt prejudiciële vraag aan de Hoge Raad over de uitleg van artikel 241c lid 2 Fw en houdt verdere beslissing aan.