ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ2901
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-verjaring vordering schadevergoeding na verkeersongeval ondanks vaststellingsovereenkomst met voorbehoud
Op 11 mei 1980 liep de gedaagde letsel op aan zijn rechterknie bij een verkeersongeval. De aansprakelijkheid werd erkend en in 1985 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarin de schade, inclusief toekomstige schade, werd afgehandeld tegen betaling van fl. 23.500,-. Een voorbehoud werd gemaakt voor toekomstige schade voortvloeiend uit een belangrijke afwijking van de situatie zoals beschreven in een medisch rapport van dr. Raat uit 1982.
Vanaf 2007 meldde de gedaagde toenemende klachten en stelde hij dat deze het gevolg waren van het ongeval. Hij stelde dat de verjaring van zijn vordering was gestuit. De rechtbank stelde vast dat de vordering niet verjaard was omdat de twintigjarige verjaringstermijn pas begon te lopen vanaf het moment dat de gedaagde bekend werd met de schade in 2007, conform art. 3:307 lid 2 BW Pro.
De rechtbank oordeelde dat de beschikking over het voorlopig deskundigenbericht geen rechtskracht heeft tussen partijen. De gevorderde verklaring voor recht dat NBM aansprakelijk is voor alle schade werd afgewezen omdat partijen in 1985 de schade inclusief toekomstige schade hadden geregeld met een voorbehoud voor afwijkingen. Er kon niet worden vastgesteld of aan de voorwaarden van het voorbehoud was voldaan, mede doordat het rapport van dr. Raat niet volledig beschikbaar was.
De rechtbank wees de vorderingen in conventie en reconventie af en veroordeelde beide partijen in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van het bewaren van bewijsstukken en de precieze formulering van voorbehouden in vaststellingsovereenkomsten.
Uitkomst: De vordering tot aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat aan het voorbehoud is voldaan, ondanks niet-verjaring.