Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2014:1271

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2014
Publicatiedatum
20 maart 2014
Zaaknummer
AWB-13_5077
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiseres viel op 6 juni 2011 uit voor haar functie als pedagogisch medewerkster vanwege nek- en schouderklachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij per 3 juni 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na bezwaar bleef dit besluit ongewijzigd, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig is verricht, inclusief eigen onderzoek en het opvragen van informatie bij de huisarts. De verzekeringsarts B&B concludeerde dat de medische beperkingen van eiseres gering zijn en de voorgestelde functies medisch geschikt zijn. De door eiseres overgelegde aanvullende medische stukken en argumenten, waaronder over bijwerkingen van medicatie, konden het oordeel niet ondermijnen.

De rechtbank vindt dat de functies die aan eiseres zijn voorgehouden passend zijn, ook gelet op haar beperkingen aan linkerarm, schouder en hand, en nek- en rugklachten. Eiseres heeft niet concreet gesteld welke taken zij niet zou kunnen uitvoeren. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 13/5077

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. E.M.H. Evers-Geubbels),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: P. Coenen).

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres per 3 juni 2013 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Bij besluit van 21 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft medische informatie overgelegd, afkomstig van haar huisarts. Hierop is gereageerd door verweerders verzekeringsarts Bezwaar en Beroep (B&B).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.
De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres is op 6 juni 2011 uitgevallen voor haar functie als pedagogisch medewerkster vanwege nek- en schouderklachten.
2.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is zodat zij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
3.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
4.
Verweerders onderzoek is voldoende zorgvuldig. Daarbij neemt de rechtbank in
aanmerking dat de primaire verzekeringsarts een eigen onderzoek heeft verricht en ook informatie heeft opgevraagd bij de huisarts van eiseres. De verzekeringsarts B&B heeft op basis van de beschikbare gedingstukken gerapporteerd. De rechtbank heeft geen reden om aan de conclusies van laatstgenoemde arts te twijfelen. Verweerder was ermee bekend dat eiseres te maken heeft met rug-, nek- en schouderklachten en hoofdpijn. Niet gebleken is dat verweerder deze klachten en de daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen heeft onderschat. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. Eiseres heeft een opsomming gegeven van de beperkingen waarmee verweerder – volgens haar - onvoldoende rekening heeft gehouden. De rechtbank volgt eiseres hierin niet en overweegt daarbij dat de door eiseres overgelegde medische informatie van de anesthesioloog drs. C.J.M. de Weert en het radiologie verslag haar standpunt niet kunnen onderbouwen. Daarbij wordt gewezen op de reactie van de verzekeringsarts B&B van 7 februari 2014 waarin hij aangeeft dat de bij eiseres geconstateerde afwijkingen gering zijn en geen reden vormen voor het bijstellen van de voor eiseres vastgestelde beperkingen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen. Door eiseres zijn ook geen argumenten naar voren gebracht die aan het standpunt van de verzekeringsarts B&B afbreuk kunnen doen.
5.
Met betrekking tot de door eiseres gestelde bijwerkingen van de door haar gebruikte medicijnen, overweegt de rechtbank allereerst dat eiseres deze stelling niet nader heeft onderbouwd. Eiseres heeft namelijk geenszins uiteengezet op welke medicijnen en bijwerkingen zij doelt. Verder heeft eiseres geen medische stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat de bewuste bijwerkingen zich daadwerkelijk bij haar voordoen. Voor zover eiseres meent dat bepaalde medicijnen haar minder alert maken, acht de rechtbank dit standpunt afdoende weerlegd door de verzekeringsarts B&B. Deze verzekeringsarts heeft onder meer aangegeven dat ten tijde van het onderzoek van de primaire verzekeringsarts bij eiseres geen cognitief tekort is vastgesteld.
6.
Uitgaande van de juistheid van de bij eiseres vastgestelde medische beperkingen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de geduide functies voor eiseres niet geschikt zijn. Door de arbeidsdeskundige zijn de zogeheten signaleringen van een afdoende adequate toelichting voorzien. Anders dan eiseres ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat in de functies onvoldoende rekening wordt gehouden met haar beperkingen aan linkerarm, schouder en hand. Eiseres heeft ook niet gesteld welke taken zij niet zou kunnen uitvoeren.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding om te oordelen dat deze functies te belastend zijn gelet op haar nek- en rugklachten.
7.
Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Ravenschlag, voorzitter, en mr. B.A.J. Zijlstra en
mr. J.Y. van de Kraats, leden, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Laro, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2014.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.