ECLI:NL:RBOBR:2014:2211
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verrekening dwangsom op grond van artikel 60a, vierde lid, WWB en overgangsrecht
Eiser diende op 31 december 2012 een aanvraag in voor een langdurigheidstoeslag over 2011. Na afwijzing van deze aanvraag en het uitblijven van een besluit, stelde eiser de gemeente Eindhoven in gebreke. De gemeente kende vervolgens op 11 juli 2013 een dwangsom toe van €1.260,00, die zij wilde verrekenen met een openstaande vordering op eiser. Eiser maakte bezwaar tegen deze verrekening en stelde dat de wijziging van artikel 60a, vierde lid, WWB per 1 juli 2013 geen terugwerkende kracht heeft en dat de gemeente vóór die datum een besluit had moeten nemen.
De rechtbank overwoog dat de wetswijziging per 1 juli 2013 de bevoegdheid tot verrekening introduceerde, maar dat aanspraken en verplichtingen beoordeeld moeten worden naar de regelgeving die gold op het moment van de aanspraak. Omdat de dwangsom na 1 juli 2013 is toegekend, was verrekening toegestaan. Het feit dat eiser de gemeente eerder in gebreke stelde en dat de gemeente vóór 1 juli 2013 een besluit had moeten nemen, doet hieraan niet af. De rechtbank wees erop dat een betalingsverplichting pas ontstaat bij beschikking en dat eiser rechtsmiddelen had kunnen inzetten tegen het uitblijven daarvan.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant op 29 april 2014.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de verrekening van de dwangsom met een openstaande vordering wordt ongegrond verklaard.