Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 augustus 2014 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
18 april 2011 van het bedrijf van eiseres afgevoerde mest van 1.394 kg fosfaat (13,2 kg fosfaat/ton) en 4.530 kg stikstof (42,9 kg stikstof/ton).
Verder heeft verweerder uiteengezet dat en waarom vergelijking van de gehalten van de ingaande drijfmest met de forfaitaire of de van het bedrijf van eiseres afgevoerde gehalten van rundveedrijfmest, in het geval er al een scheiding heeft plaatsgevonden, tot de conclusie leidt dat in de ingaande rundveedrijfmest onmogelijk hoge gehalten fosfaat en stikstof hebben gezeten. Verweerder heeft in dit verband voorts nog erop gewezen dat de scheidingsrendementen die eiseres op basis van voorgaande berekeningen heeft behaald (88,8% voor stikstof en 72,25 voor fosfaat) onwaarschijnlijk hoog zijn voor verwerkte rundveemest. Voorts heeft verweerder nog erop gewezen dat het droge stof gehalte, zoals vermeld op het analyseverslag van eiseres, voor gescheiden rundveemest onwaarschijnlijk hoog is.
18 april 2011 wel fractie van gescheiden rundveemest van het bedrijf van eiseres is afgevoerd. Ook aan de overige door eiseres ter zake aangevoerde stukken komt om dezelfde reden niet de waarde toe die eiseres daaraan gehecht wenst te zien.
18 april 2011 drie vrachten fractie van gescheiden rundveemest van haar bedrijf heeft afgevoerd, heeft verweerder de opgegeven hoeveelheid fosfaat en stikstof hiervan terecht niet meegenomen als afvoer bij de berekening van de gebruiksnormen van eiseres voor het jaar 2011.
Beslissing
mr. M.H. Dworakowski-Kelders, leden, in aanwezigheid van mr. C.G.M. Kosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2014.