Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
SHE 14/168, SHE 14/169 en SHE 14/170
Rechtbank Oost-Brabant
De rechtbank Oost-Brabant behandelde meerdere zaken waarin verschillende stichtingen bezwaar maakten tegen besluiten van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant om de subsidierelatie per 1 januari 2015 te beëindigen. Dit hing samen met de decentralisatie van de jeugdzorg naar gemeenten, zoals vastgelegd in het regeerakkoord en de aangenomen Jeugdwet.
De subsidieverstrekker stelde dat sprake was van veranderde omstandigheden die de beëindiging rechtvaardigden en dat de subsidieontvangers ruim twee jaar de tijd hadden gekregen om zich voor te bereiden. De eisers betoogden dat deze termijn onvoldoende was, omdat onduidelijkheid bestond over de toekomstige financiering en organisatie van de jeugdzorg, waardoor anticiperen moeilijk was.
De rechtbank oordeelde dat de subsidieverstrekker terecht kon uitgaan van veranderde omstandigheden en dat de termijn van ruim twee jaar voldoende was om maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging te ondervangen. De termijn diende niet om te anticiperen op de nieuwe situatie. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de beëindiging van de subsidierelatie per 1 januari 2015 worden ongegrond verklaard.