ECLI:NL:RBOBR:2014:5816
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen proceskostenvergoeding en WOZ-waarde in bestuursrechtelijke procedure
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar waarin de WOZ-waarde van zijn onroerende zaak was verlaagd en de proceskostenvergoeding was vastgesteld op € 235. In het beroepschrift richtte eiser zich uitsluitend tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding en de rentevergoeding. Na afloop van de beroepstermijn heeft eiser alsnog bezwaren geuit tegen de WOZ-waarde, die de rechtbank buiten beschouwing laat vanwege het belang van rechtszekerheid en efficiënte geschilbeslechting.
De rechtbank oordeelt dat de proceskostenvergoeding in bezwaar onjuist is vastgesteld omdat verweerder ten onrechte geen punt toekende voor het verschijnen van eiser ter hoorzitting. De hoogte van de proceskostenvergoeding wordt daarom verhoogd naar € 486. De rechtbank wijst tevens het gestorte griffierecht van € 44 toe en veroordeelt verweerder tot betaling van € 974 aan proceskosten in beroep.
De rechtbank overweegt dat geen sprake is van een bijzonder geval dat een hogere vergoeding dan de forfaitaire rechtvaardigt, ondanks het no cure no pay karakter van de procedure en de hoogte van de rechtsbijstandskosten. De rentevergoeding en overschrijding van de redelijke termijn zijn niet langer in geschil. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding wordt verhoogd naar € 486 met vergoeding van griffierecht en proceskosten in beroep.