Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[A.] Houtbedrijf BV,
Rechtbank Oost-Brabant
De werknemer was van 2007 tot 2013 werkzaam bij de werkgever en maakte aanspraak op een hoger aantal roostervrije uren op grond van de CAO Houthandel en later de CAO Timmerindustrie. Hij stelde dat hij recht had op 184 roostervrije uren per jaar bij een 40-urige werkweek, terwijl de werkgever uitging van een 38-urige werkweek met 92 roostervrije uren.
De werkgever verweerde zich met de stelling dat partijen expliciet een effectieve werkweek van 38 uur waren overeengekomen, hetgeen ook in de arbeidsovereenkomst was vastgelegd en waar het salaris op was gebaseerd. De CAO laat afwijkingen toe en de werknemer heeft de toegekende roostervrije uren ook daadwerkelijk genoten.
De kantonrechter oordeelde dat het recht op roostervrije uren afhankelijk is van de overeengekomen normale arbeidsduur en niet alleen van de daadwerkelijk gewerkte uren. Aangezien partijen een 38-urige werkweek hadden afgesproken, had de werknemer recht op 92 roostervrije uren, die hij ook heeft genoten. De vordering werd daarom afgewezen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de werknemer tot betaling van extra roostervrije uren wordt afgewezen omdat de overeengekomen arbeidsduur 38 uur per week bedroeg.