ECLI:NL:RBOBR:2015:2002
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs seksueel misbruik stiefkind
De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van seksueel misbruik van zijn stiefkind in de periode van 2004 tot 2011, zowel op Curaçao als in Nederland en België. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van vijf jaar en een schadevergoeding voor het slachtoffer. Verdachte ontkende de beschuldigingen en stelde dat het bewijs onvoldoende was.
Tijdens de zittingen werd vastgesteld dat de verklaring van het slachtoffer consistent en betrouwbaar was, maar dat deze onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs. Getuigen konden het misbruik niet bevestigen en de verklaringen van verdachte over gedeelde woonplaatsen en gebeurtenissen werden erkend, maar stonden te ver af van het tenlastegelegde.
De rechtbank benadrukte dat volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering het bewijs niet uitsluitend op de verklaring van één getuige kan worden gebaseerd zonder voldoende steunbewijs. Het opgenomen telefoongesprek tussen verdachte en slachtoffer bood ook onvoldoende steun voor de aantijgingen.
Gezien het gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De vordering van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard en zij werd veroordeeld in de kosten van de verdachte.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van seksueel misbruik.