Eiser is eigenaar van twee onbebouwde percelen met de bestemming bedrijfsdoeleinden volgens het bestemmingsplan Duin Noord. De gemeente had de WOZ-waarde van deze percelen vastgesteld op €853.000, met een overeenkomstige OZB-aanslag. Eiser betwistte deze waarde en voerde aan dat de cultuurgronduitzondering van toepassing is omdat de percelen feitelijk agrarisch worden gebruikt.
De rechtbank stelde vast dat de feitelijke situatie van gebruik leidend is voor de toepassing van de cultuurgronduitzondering, ongeacht de formele bestemming. Uit overgelegde stukken en verklaringen bleek dat de percelen door een agrarisch bedrijf werden gebruikt voor de verbouw van mais ten behoeve van rundvee. Eiser droeg hiermee de bewijslast succesvol.
De rechtbank vernietigde de bestreden uitspraken en paste de cultuurgronduitzondering toe, waardoor de waarde van de onroerende zaak en de OZB-aanslag werden verminderd tot nihil. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant op 28 april 2015 en kan binnen zes weken worden aangevochten bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.