Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2015 in de zaak tussen
, te [woonplaats] , eisers,
Islamitische Stichting Nederland-Veghel, te Veghel, vergunninghoudster,
(gemachtigde: mr. B. Kaya).
Procesverloop
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2015. Eisers [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voor vergunninghoudster zijn [persoon 4] en [persoon 5] verschenen.
Overwegingen
Eisers zijn woonachtig aan de [adressen] te Veghel. Vergunninghoudster is voornemens om aan de overzijde van de woningen van eisers een moskee te bouwen, waarvoor zij op 26 juli 2014 bij verweerder een omgevingsvergunning heeft aangevraagd.
Op 4 september 2014 heeft vergunninghoudster aanvragen om omgevingsvergunning ingediend voor het kappen van elf bomen en het aanleggen van twee uitritten en negen parkeervakken. De kap van de bomen is nodig om de moskee en de parkeerplaatsen te kunnen realiseren. De uitritten dienen als in- en uitgang van het parkeerterrein van de moskee.
artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, respectievelijk onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).De omgevingsvergunning, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft betrekking op het kappen van elf bomen en het aanleggen van twee uitritten.
Ontvankelijkheid beroep
Met artikel 2.7 van de Wabo wordt de mogelijkheid beperkt om activiteiten over meer projecten en aanvragen om vergunning te verdelen. Dit betekent dat activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen niet los van elkaar mogen worden beoordeeld, zodat deze activiteiten ook niet los van elkaar kunnen worden aangevraagd. Bij onlosmakelijk samenhangende activiteiten gaat het om activiteiten die fysiek en in de tijd niet van elkaar te onderscheiden zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2066). Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat de activiteiten bouwen, het vellen van houtopstand en het maken van uitwegen niet onlosmakelijk met elkaar samenhangen in de zin van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. Het vellen van houtopstand en het maken van de uitwegen houden weliswaar verband met de bouwen van de moskee, maar gaan vooraf aan de bouw van de moskee en zijn aldus fysiek daarvan te onderscheiden. Het is daarom aan de aanvrager om te bepalen welke activiteiten zij aanvraagt en in welke volgorde zij dat doet, nu het geen activiteiten betreft die op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo tegelijkertijd moeten worden aangevraagd.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Materiële beoordeling
Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.
Ten aanzien van de omgevingsvergunning voor het maken van de uitritten (de uitwegvergunning)
Op grond van artikel 2.18 van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.
a. de bescherming van openbare parkeerplaatsen;
b. de bescherming van openbaar groen;
c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Artikel 1.8 van de APV bepaalt dat de vergunning of ontheffing door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan kan worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu.
In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat de verkeersveiligheid niet in geding is. Ter bevordering van de doorstroming worden twee uitwegen aangelegd, waarmee wordt voorkomen dat ter hoogte van het perceel opstoppingen ontstaan. Verder is het uitzicht voldoende.
Ten aanzien van de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen
Het tweede van dit artikel bepaalt dat de vergunning in afwijking van artikel 1:8 kan Pro worden geweigerd op grond van:
a. de natuurwaarde van de houtopstand;
b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of
f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.
Beslissing
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [persoon 6] ;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2015.