Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 december 2015 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
7 oktober 2015, die deel uitmaakt van de gedingstukken, is het volgende vermeld. In de periode tussen 25 juni 2015 en 2 oktober 2015 heeft de politie een voorbereidend onderzoek ingesteld naar personen die verdacht werden van dealen in soft- en harddrugs in Valkenswaard en omgeving. Naar aanleiding van de waarnemingen is het vermoeden gerezen dat er op het [adres] te [woonplaats] een hoeveelheid verdovende middelen (harddrugs) was ondergebracht om daar in kleinere hoeveelheden te verpakken. Op 2 oktober 2015 heeft in de woning een doorzoeking ter inbeslagnameplaatsgevonden. Bij deze doorzoeking werden onder meer 287,5 gram amfetamine, gripzakjes met restanten amfetamine, videocassettes met restanten amfetamine, een potje met gripzakjes met amfetamine pasta en hennep aangetroffen
.
30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2) is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Van dit uitgangspunt mag echter in ernstige gevallen worden afgeweken. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning in ieder geval als een ernstig geval in deze zin kan worden aangemerkt en dat ook bij een eerste constatering hiervan aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een bevoegdheid tot sluiting van een woning kan worden ontleend. Een beleid dat hiertoe de mogelijkheid biedt, is derhalve niet in strijd met de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2388).
Beslissing
op 17 december 2015.