Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“Indien het verzoek voldoet aan het bepaalde in voorgaande leden, beslist de raad in de vergadering waarin over het concept-raadsbesluit zou worden besloten of het verzoek tot het houden van een referendum wordt ingewilligd.”Volgens verweerder veronderstelt die tekst dat – nadat is vastgesteld dat aan alle overige in artikel 4 genoemde Pro eisen is voldaan – nog ruimte bestaat voor een inhoudelijke beoordeling over de vraag of het verzoek tot het houden van een referendum wordt ingewilligd. Van die ruimte heeft verweerder in dit geval gebruik gemaakt door het verzoek niet in te willigen, omdat hij het onwenselijk acht een referendum te houden over een onderwerp waarover de raad al eerder heeft besloten.
ofhet verzoek wordt ingewilligd, en niet
dathet verzoek wordt ingewilligd. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat die ruimte niet is bedoeld voor een beoordeling over de ontvankelijkheid van het verzoek. In artikel 4, zesde lid, van de verordening is immers bepaald dat de stemming over het concept-raadsbesluit niet wordt aangehouden als eerder negatief over de ontvankelijkheid is beslist. Dat impliceert dat op een eerder moment, voorafgaand aan de raadsvergadering, een ontvankelijkheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden. Daaruit volgt dus dat de beslissing “of het verzoek tot het houden van een referendum wordt ingewilligd” (artikel 4, vijfde lid van de verordening) die tijdens de raadsvergadering wordt genomen, niet op ontvankelijkheidskwesties ziet. Niet op de ontvankelijkheidskwesties die in artikel 2 van Pro de verordening worden geregeld (de vraag welke soorten besluiten referendabel zijn), maar ook niet op ontvankelijkheidskwesties die in artikel 4, eerste tot en met vierde lid van de verordening, zijn geregeld: lid 5 van artikel 4 begint Pro immers met de zinsnede “Indien het verzoek voldoet aan het bepaalde in de voorgaande leden”. Evenmin ziet de ruimte op, zoals eiser wel heeft geopperd, een beoordeling of de vereiste 350 handtekening geldig zijn. In het derde lid van artikel 4 van Pro de verordening is immers bepaald dat het verzoek wordt ondersteund door ten minste 350 handtekeningen
van kiesgerechtigden. Dat impliceert dus dat het gaat om 350 geldige handtekeningen.