Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser is eigenaar van een camping die op de waardepeildatum 1 januari 2012 deels in aanbouw was. De heffingsambtenaar stelde op basis van de Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak vast, welke eiser betwistte. Het geschil spitste zich toe op de waardering van de werktuigenberging/wagenloods en de meegetaxeerde grond.
De rechtbank stelde vast dat de waarde moest worden bepaald aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde conform artikel 17, vierde lid, Wet WOZ. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar terecht gebruik maakte van de Taxatiewijzer Algemeen voor de werktuigenberging, omdat het object geen agrarisch karakter heeft volgens het bestemmingsplan. De hogere eenheidsprijs werd verklaard door de kleinere oppervlakte van het objectonderdeel.
Ten aanzien van de grondprijs vond de rechtbank dat de door verweerder toegepaste agrarische grondprijs aannemelijk was en dat de door eiser voorgestelde lagere prijs onvoldoende was onderbouwd. Ook het verschil in grondprijs tussen belastingjaren werd verklaard door de verschillende waarderingsmethoden.
De rechtbank concludeerde dat verweerder met het taxatierapport en de toelichting aan zijn bewijslast had voldaan en verklaarde het beroep ongegrond. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de deels in aanbouw zijnde camping is ongegrond verklaard.