Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Bewijs.
De bewezenverklaring.
op 1 september 2016 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een grote hoeveelheid pillen, bevattende MDMA (met een totaalgewicht van ongeveer 2.825 gram) en een grote hoeveelheid poeder, bevattende cocaïne (met een totaalgewicht van ongeveer 843 gram), zijnde MDMA en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
op 3 september 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid xtc-pillen, bevattende MDMA (met een totaalgewicht van ongeveer 3.828 gram), zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
op 3 september 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, wapens van categorie III, te weten vier vuurwapens, namelijk:
voorhanden heeft gehad.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van de verdachte.
De motivering van de beslissing.
Toepasselijke wetsartikelen.
De uitspraak.
ten aanzien van feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 3: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
straf: