Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verzoekers]
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
Procesverloop
Gesloten voor vrachtauto; motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg”inclusief onderbord OB108 “
uitgezonderd bestemmingsverkeer”.Verzoekers hebben tegen het besluit bezwaar gemaakt en aan de voorzieningenrechter verzocht het besluit bij wijze van voorlopige voorziening onmiddellijk te schorsen. Over dat verzoek om een voorlopige voorziening gaat deze procedure. Op 14 april 2017 heeft de zitting plaatsgevonden. Verzoekers zijn naar de zitting gekomen. Namens hen hebben verzoeker 1 en verzoeker 2 het woord gevoerd. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voor de derde partij zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2] .
Overwegingen
Het verankeren van het gezamenlijk gedragen voorkeursalternatief “Westparallel Plus” en de uitvoering hiervan te realiseren om de leefbaarheids- en bereikbaarheidsproblemen in de Grenscorridor N69 op te lossen en gelijktijdig de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te versterken.”De aanleg van de Westparallel moet de leefbaarheids- en bereikbaarheidsproblematiek door de grote toename van het aantal (vracht)auto’s dat dagelijks door het gebied Valkenswaard en Waalre rijdt, terugdringen. Het wordt een tweemaal-eenbaans-tachtigkilometerverbinding waarmee een nieuwe internationale route loopt van de grensovergang met België tot aan de aansluiting A67 Velhoven-West. Over de Westparallel loopt op dit moment een gerechtelijke procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
“gesloten voor vrachtauto: motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg”inclusief onderbord 05108
“uitgezonderd bestemmingsverkeer”
onrechtmatigheid van het besluit evident is, die grond wel bestaat. Dat zijn de twee uitersten. Het kan ook gaan, en meestal is dat het geval, om een tussencategorie; bijvoorbeeld als op het besluit wel wat valt af te dingen, de rechtmatigheid of onrechtmatigheid niet klip en klaar is of als die rechtmatigheid niet zonder diepgravend onderzoek kan worden beoordeeld.
‘belangrijkste uitgangspunten bij deze verkeersmaatregelen’, waarna achter vijf achtereenvolgende gedachtestreepjes een herhaling van de in de WVW 1994 genoemde belangen volgt. Nergens in het besluit wordt gesproken over de belangen van omwonenden aan de Eindhovenseweg zoals verzoekers, wat toch wel in de rede had gelegen, nu het aan het college bekend was dat die omwonenden niet gelukkig zouden zijn met de door hen voorziene gevolgen van het verkeersbesluit. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt op welke manier alle betrokken belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Het enige dat in het besluit staat is dat ‘niet gebleken’ is ‘dat belanghebbenden hiermee onevenredig worden benadeeld dan wel dat er een onduidelijke verkeerssituatie zou ontstaan’. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter veel te mager, mede gelet op het volgende.