Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2017 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Belastingdienst/ Toeslagen, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Eiseres wijst daarbij op de harmonisatie van het partnerbegrip in de Wet IB 2001 en de Awir. Bij brief van 1 juni 2016 heeft de inspecteur van de belastingdienst desgevraagd aan eiseres laten weten dat zij, nu eiseres, haar moeder en haar zus in 2016 fiscale partners zijn op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder e, van de Wet IB 2001, zelf mag bepalen wie de fiscaal partner van eiseres wordt, maar dat zij er ook voor mag kiezen geen fiscaal partner te hebben. Op basis van deze ‘Standpuntbepaling inkomstenbelasting’ heeft eiseres ervoor gekozen om per 1 januari 2016 voor de inkomstenbelasting geen fiscaal partner te hebben. Instandlating van de bestreden besluiten leidt volgens eiseres tot een onwenselijke ongerijmdheid tussen de Wet IB 2001 en de Awir.
a. uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren;
b. die een kind van de belanghebbende heeft erkend dan wel van wie een kind door de belanghebbende is erkend;
c. die voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belanghebbende is aangemeld;
d. die samen met de belanghebbende een woning heeft, die hun anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom, waaronder begrepen economisch eigendom, of op grond van een recht van lidmaatschap van een coöperatie;
e. die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander;
f. voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor het berekeningsjaar wordt aangemerkt als partner van de belanghebbende, of
g. die in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de belanghebbende was.
a. de echtgenoot;
b. de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.
De rechtbank is van oordeel dat zowel de moeder als de zus vanaf 1 januari 2016 als toeslagpartners van eiseres zijn aan te merken op grond van artikel 3, tweede lid, onder e, in verbinding met artikel 3, derde lid, van de Awir. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat op grond van artikel 3, vierde lid, van de Awir wel een rangorde valt aan te wijzen tussen de categorieën van artikel 3, tweede lid, onderling, maar niet tussen de leden van artikel 3 van Pro de Awir. Weliswaar is het toeslagpartnerschap tussen moeder en eiseres reeds op 1 januari 2016 ontstaan en bestond er op dat moment nog geen toeslagpartnerschap met de zus van eiseres, maar op grond van het derde lid van artikel 3 ontstaat Pro op 23 augustus 2016 een partnerschap tussen eiseres en haar zus met ingang van 1 januari 2016, waarbij eveneens onderdeel e van het tweede lid van toepassing is. Voor het hanteren van een rangorde tussen de leden van artikel 3 ziet Pro de rechtbank in de wet noch in de geschiedenis van de totstandkoming hiervan aanknopingspunten. Overigens ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet in de rede dat de inspecteur en verweerder in dit geval verschillende standpunten innemen over de vraag wie als toeslagpartner moeten worden aangemerkt, nu artikel 1.2, eerste lid, Wet IB 2001 en artikel 3, tweede lid, Awir, voor zover hier aan de orde, gelijkluidend zijn.
€ 495,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
31 mei 2017.