ECLI:NL:RVS:2018:2771
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- J. Kramer
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget wegens toeslagpartnerschap
De Belastingdienst/Toeslagen had de voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget van [wederpartij] voor 2016 herzien en vastgesteld op nihil, omdat zij de moeder van [wederpartij] als toeslagpartner aanmerkte op grond van de BRP-inschrijving. De rechtbank verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond en oordeelde dat zowel de moeder als de meerderjarige zus vanaf 1 januari 2016 als toeslagpartner moesten worden beschouwd, waardoor de herziening onterecht was.
De Belastingdienst/Toeslagen stelde in hoger beroep dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir alleen van toepassing is op situaties met twee meerderjarigen op hetzelfde adres, en dat er geen toeslagpartnerschap kan bestaan als er drie meerderjarigen zijn ingeschreven. De Raad van State oordeelde dat de moeder ook na het meerderjarig worden van de zus de enige toeslagpartner blijft, omdat een belanghebbende slechts één toeslagpartner kan hebben.
De Afdeling bestuursrechtspraak vond het beleid van de Belastingdienst/Toeslagen niet onredelijk en in overeenstemming met de wetsgeschiedenis. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de herziening van de voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.