Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
Stichting Wooninc., te Eindhoven, vergunnninghoudster
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
Belanghebbendheid
(mede-)eigenaar van een perceel dat direct grenst aan zijn perceel.
Het bestreden besluit
Bekendmaking
Verzoeker stelt terecht dat de vermelding van de bezwaar- of beroepsinstantie in de publicatie onjuist was en afweek van de rechtsmiddelenclausule in de bekendmaking van de omgevingsvergunning. Dit neemt niet weg dat belanghebbenden zijn gewezen op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden. Aangenomen mag worden dat belanghebbenden die daadwerkelijk rechtsbescherming zoeken, daarvan ook gebruik zullen maken, ongeacht de vermelde bezwaar- of beroepsinstantie. Indien de vermelding van de bezwaar- of beroepsinstantie onjuist is, zal de doorzendplicht die op grond van artikel 6:15 van Pro de Awb op het onbevoegde orgaan rust en ook bij verzoeker is toegepast, voorkomen dat de onjuiste vermelding gevolgen heeft, mits wel tijdig een rechtsmiddel is ingesteld. Indien aannemelijk is dat een belanghebbende als gevolg van een onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting de termijn heeft overschreden, kan deze verschoonbaar worden geacht. Gelet hierop is niet aannemelijk dat (andere) belanghebbenden door de onjuiste vermelding van de bezwaar- of beroepsinstantie in de publicatie zijn benadeeld.
Deze grond kan daarom niet slagen.
Toetsingskader
naar het oordeel van verweerder niet aannemelijk is dat het bouwen voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 of de gemeentelijke bouwverordening dan wel indien het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 20 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:127) uitspraak gedaan over het onder meer door verzoeker ingediende beroep tegen het vaststellingsbesluit van verweerder. De Afdeling heeft dit besluit vernietigd, voor zover daarin in strijd met de provinciale Verordening ruimte 2014
(Vr 2014) was voorzien in woningbouw in de langs de noordkant van Kanaaldijk Noord gelegen Ecologische Verbindingszone (EVZ). Daartoe heeft de Afdeling het vaststellingsbesluit vernietigd voor zover daarbij aan die gronden die bestemming “Wonen IV” was toegekend.
Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 11 oktober 2016 het uitwerkingsplan “2e uitwerking Tongelre binnen de Ring 2007”(Picuskade Kanaalzijde)” vastgesteld (tweede uitwerkingsplan). In dat plan is aan het bedoelde deel van de groenstrook opnieuw de bestemming “Wonen-IV” toegekend. Binnen die bestemming mag een ondergrondse parkeergarage worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding “parkeergarage”. Aan de groenstrook is de bestemming “Natuur” toegekend. De voorzitter van de Afdeling heeft bij uitspraak van 13 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:360) het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waarna het uitwerkingsplan in werking is getreden
.Dit uitwerkingsplan is onherroepelijk geworden na de uitspraak van de Afdeling van
21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1663).
Dit betekent dat het gestelde over de overschrijding van het plangebied, het flora- en faunaonderzoek, de watertoets, de kwel, het verkopen en bebouwen van structureel groen en de uitgevoerde milieuonderzoeken buiten bespreking moeten blijven. Ook de stellingen van verzoeker die verband houden met de gebrekkige informatieverstrekking, het niet handhavend optreden en het niet nakomen door verweerder en/of de gemeente Eindhoven van bestuurlijke afspraken in de procedures rond de hergrenzing van de Picuskade kunnen niet in het oordeel worden betrokken omdat deze de omgevingsvergunning, gelet op het toepasselijke toetsingskader, niet kunnen aantasten.
Verder geldt dat verweerder moet beslissen op een aanvraag zoals die wordt ingediend, in dit geval de aanvraag van 19 december 2014 met de daarbij behorende bouwtekeningen en bescheiden. Dit leidt ertoe dat de gestelde vraagtekens bij (de vormen van) grondgebonden woningen aan de Verlengde Treurenburgstraat niet in het oordeel worden betrokken.
Brandveiligheid
Hieruit kan worden afgeleid dat op basis van het advies van de brandweer een toetsing van het bouwplan in het kader van brandveiligheid aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan de brandveiligheid van het bouwplan. Verweerder heeft verwezen naar het positieve advies van de brandweer van 16 november 2015, dat gebaseerd is op bij de aanvraag behorende stukken. De voorzieningenrechter is niet gebleken van enige onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van dat advies. Het advies is inzichtelijk en de brandweer heeft nadere voorwaarden gesteld. Niet gebleken is dat het bouwplan niet voldoet aan de ter zake te stellen eisen. Bovendien heeft verzoeker geen tegenadvies overgelegd van een deskundige op het gebied van brandveiligheid. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het bouwplan niet als brandveilig kan worden aangemerkt en wat brandveiligheid betreft niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Dat het brandveiligheidsonderzoek zich niet uitstrekt over het bestaande DAF-museum kan hieraan niet afdoen, omdat het bestaande bouwwerk geen onderdeel is van het bouwplan.
Met betrekking tot de door verzoeker gevreesde gevolgen ter plaatse van zijn woning bij brand op de bouwlocatie stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker in rechte opkomt als omwonende van de bouwlocatie. Normen in het Bouwbesluit 2012 strekken, voor zover thans van belang, tot bescherming van de veiligheid van mensen in het desbetreffende bouwwerk en daarnaast tot bescherming van de veiligheid van mensen in woningen op belendende percelen als het gaat om branddoorslag en brandoverslag. Verzoekers woning staat echter op een afstand van 100 meter van het bouwplan.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het betoog van verzoeker over de brandveiligheid niet kan leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Verontreiniging
Voor zover verzoeker met zijn stelling over bodem- en grondwaterverontreiniging heeft willen betogen dat het bouwplan in strijd is met de gemeentelijke bouwverordening overweegt de voorzieningenrechter dat een dergelijke strijd niet aannemelijk is geworden. De stelling van verzoeker dat ter plaatse van de bouwlocatie recentelijk nieuwe verontreinigingen aan het licht zijn gekomen is niet met stukken onderbouwd en wordt door verweerder en vergunninghoudster betwist. Deze grond kan daarom niet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Parkeerbehoefte
Er is een groter tekort aan parkeerplaatsen dan is gesteld. Zo is geen rekening gehouden met het vervallen van parkeerplaatsen ten behoeve van de opstelplaatsen voor veiligheidsdiensten. Verder gaan de parkeerplaatsen aan de Treurenburgstraat op grond van de tussen de gemeente Eindhoven en vergunninghoudster gesloten anterieure overeenkomst van 6 november 2014 in eigendom over naar de gemeente. Verzoeker vraagt zich af of het kantoor aan de Tongelresestraat is meegenomen in de parkeerbehoefte en waar de parkeerplaatsen voor dat kantoor zijn gelegen.
Verder heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter het standpunt kunnen innemen dat de vastgestelde parkeerbehoefte van 257 parkeerplaatsen een ruime inschatting is, nu bij toepassing van de parkeernormen uit 2016 voor de hoogbouw aan de kanaalzijde in minder parkeerplaatsen had kunnen worden voorzien. Verzoeker heeft dit als zodanig niet gemotiveerd weersproken. Evenmin heeft hij betwist dat in de directe omgeving van het bouwplan openbare parkeerruimte beschikbaar is. Tegen deze achtergrond kan de vraag of de (negen) parkeerplaatsen aan de Treurenburgstraat mogen worden meegerekend bij de parkeerplaatsen op eigen terrein in het midden blijven en ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Verder overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende gelegenheid alleen rekening dient te houden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Dit omvat de beoogde woonbebouwing en de uitbreiding van het bestaande DAF-museum. De voorzieningenrechter constateert dat in de parkeerbalans van Laride een kantoorruimte is meegenomen. Nu ook daaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de parkeerbehoefte ruim is ingeschat en verweerder ook op dit punt in het besluit op bezwaar nog duidelijkheid kan verschaffen, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker hierover heeft gesteld onvoldoende aanleiding voor schorsing van het bestreden besluit.
Gelet hierop kan al hetgeen verzoeker over de parkeerbehoefte naar voren heeft gebracht niet slagen.
Conclusie