Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
bij verstekgewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Bewijs
Het oordeel van de rechtbank. [1]
Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed.
- de door verdachte tevoren bedachte, gehanteerde werkwijze en
- de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de door verdachte aan de slachtoffers gedane leugenachtige mededelingen, in hun onderlinge samenhang bezien en
- het feit dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de tussen de slachtoffers en hemzelf bestaande vertrouwensrelaties. Twee van de slachtoffers hebben verdachte zelfs in huis genomen.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en/of maatregel.
Bij dit oordeel heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de beperkte ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
De rechtbank ziet in de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn aanleiding om in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden op te leggen.