Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uden, verweerder
Procesverloop
13 december 2013 tot en met 31 januari 2016. Tevens heeft verweerder de over deze periode teveel betaalde bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 16.208,75.
Overwegingen
17 mei 2016 en is ingetrokken per 29 februari 2016, omdat zij in ieder geval vanaf
29 februari 2016 samen met eiser een gezamenlijke huishouding voerde en zij vanaf die datum geen zelfstandig subject van bijstand meer was.
31 januari 2016 niet zijn woonadres had op het opgegeven uitkeringsadres.
Op vragen van de rechtbank heeft verweerder ter zitting toegelicht en verduidelijkt dat de uitkering van eiser reeds per 7 december 2015 is beëindigd maar dat door een administratieve fout de uitkering in december 2015 en januari 2016 abusievelijk is doorbetaald.
7 december 2015 beoordelen.
Nu tegen de terugvordering geen gronden zijn gericht en verweerder overigens op grond van artikel 58, tweede lid, van de Pw de bevoegdheid heeft om hetgeen onverschuldigd is betaald terug te vorderen, houdt het bestreden besluit met betrekking tot de terugvordering in rechte stand.
€ 64,95 (5 uur met een uurtarief van € 12,99).
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond voor zover het de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 7 december 2015 tot en met 31 januari 2016 betreft;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het recht op bijstand over de periode van 7 december 2015 tot en met 31 januari 2016 is ingetrokken;
- herroept het primaire besluit voor zover het de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 7 december 2015 tot en met 31 januari 2016 betreft en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.065,59;
- draagt verweerder op aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- te vergoeden.