Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 december 2017 in de zaak tussen
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder
[bedrijf] ,te [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
Rechtbank Oost-Brabant
De zaak betreft een beroep van erven tegen een herstelbesluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, waarin het bezwaar tegen het niet intrekken van een milieu-omgevingsvergunning werd afgewezen. De vergunning was in 2013 verleend op basis van onjuiste informatie dat het project in overeenstemming was met het bestemmingsplan. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de vergunning op grond van artikel 5.19 Wabo ingetrokken kon worden.
Na vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen in april 2017, die de bedrijfslocatie uitbreidden en de activiteiten legaliseerden, werd het beroep voortgezet. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak had een voorlopige voorziening toegekend voor een ander perceel, maar niet voor het perceel van de inrichting. De rechtbank oordeelde dat intrekking van de vergunning onevenredig zou zijn omdat dezelfde vergunning vrijwel direct opnieuw verleend zou kunnen worden.
De rechtbank stelde vast dat de inrichting niet meer in strijd met het bestemmingsplan werd geëxploiteerd en dat lichtere handhavingsmiddelen beschikbaar waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen. De uitspraak bevestigt dat intrekking van een vergunning de zwaarste sanctie is en alleen in uitzonderlijke gevallen passend is.
Uitkomst: Het beroep tegen het herstelbesluit tot niet-intrekking van de milieu-omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.