Eiser diende een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor een aanbouw, waarop verweerder leges heeft geheven. De heffing vond plaats terwijl het bestemmingsplan Zeelst 2005, waarop de aanvraag betrekking had, ouder dan tien jaar was. Eiser stelde dat op grond van artikel 3.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geen leges meer geheven mochten worden voor diensten die verband houden met dit bestemmingsplan.
Verweerder voerde aan dat leges wel verschuldigd waren voor diensten die niet uitsluitend verband hielden met het bestemmingsplan en verwees naar een onderscheid tussen volledigheidstoets en inhoudelijke toets. De rechtbank oordeelde dat de term in artikel 3.1, vierde lid, Wro ruim moet worden uitgelegd en ook leges voor bouwactiviteiten omvat, conform eerdere jurisprudentie.
De rechtbank zag geen ruimte voor de door verweerder voorgestane splitsing in toetsen en concludeerde dat verweerder geen leges mocht heffen. De bestreden uitspraak op bezwaar en de legesaanslag werden vernietigd. Verweerder werd opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.