ECLI:NL:RBOBR:2017:6761
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling poging tot afpersing met geweld en dwang tot pinnen
Op 8 maart 2017 hebben verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer in de nachtelijke uren gedwongen geld te pinnen onder dreiging en geweld, waaronder een steekwond in het bovenbeen van het slachtoffer. De rechtbank achtte de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar ondanks diens alcoholgebruik en baseerde het bewijs onder meer op politieverklaringen, DNA-onderzoek en camerabeelden.
Verdachte werd vrijgesproken van een deel van de tenlastelegging, maar veroordeeld voor poging tot afpersing met geweld. De rechtbank oordeelde dat verdachte en medeverdachte nauw samenwerkten bij het dwingen van het slachtoffer. Verdachte toonde geen verantwoordelijkheid tijdens de zitting, wat meewoog in de strafbepaling.
De rechtbank legde verdachte een gevangenisstraf van 10 maanden op, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een behandelverplichting. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel van €1.909,72 opgelegd, bestaande uit immateriële en materiële schade, met een subsidiaire hechtenis van 29 dagen bij niet-betaling.
De rechtbank wees de vordering van de benadeelde partij toe, matigde de immateriële schadevergoeding tot €1.500 en wees een deel van de materiële schade af. Verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld samen met zijn medeverdachte. De uitspraak werd gewezen door de rechtbank Oost-Brabant op 29 december 2017.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een schadevergoedingsmaatregel van €1.909,72.