De rechtbank Oost-Brabant behandelde het beroep van eiseres tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak, een kinderdagverblijf binnen een schoolgebouw, per waardepeildatum 1 januari 2014. Verweerder had de waarde vastgesteld op €507.000, gebaseerd op een gecorrigeerde vervangingswaarde (GVW) van €654.000 inclusief BTW. Eiseres stelde primair een lagere waarde in het economisch verkeer (€331.000) en subsidiair een lagere GVW (€323.000) met een functionele afschrijving van 45% wegens lage bezettingsgraad.
De rechtbank oordeelde dat het object incourant is en dat de GVW-methode passend is, waarbij de bezettingsgraad van de kinderdagverblijfbranche niet relevant is omdat het object deel uitmaakt van een schoolgebouw. De functionele afschrijving wegens economische veroudering werd niet toegepast omdat hiervoor geen objectieve gegevens of relevante omstandigheden waren. Tevens werd geoordeeld dat de GVW inclusief BTW terecht was berekend volgens de geldende taxatiewijzer.
De rechtbank concludeerde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog was en dat eiseres haar lagere waarden niet aannemelijk had gemaakt. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.