Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 januari 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Boxmeer, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- [adres 1] : € 145.000;
- [adres 2] : € 400.000;
- [adres 4] : € 215.000;
- [adres 5] : € 240.000.
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- stelt de waarde van [adres 1] te Boxmeer, per waardepeildatum 1 januari 2015, voor het kalenderjaar 2016, vast op € 145.000 en vermindert de daarop gebaseerde aanslag OZB dienovereenkomstig;
- stelt de waarde van [adres 2] te Boxmeer, per waardepeildatum 1 januari 2015, voor het kalenderjaar 2016, vast op € 400.000 en vermindert de daarop gebaseerde aanslag OZB dienovereenkomstig;
- stelt de waarde van [adres 4] te Boxmeer, per waardepeildatum 1 januari 2015, voor het kalenderjaar 2016, vast op € 215.000 en vermindert de daarop gebaseerde aanslag OZB dienovereenkomstig;
- stelt de waarde van [adres 5] te Boxmeer, per waardepeildatum 1 januari 2015, voor het kalenderjaar 2016, vast op € 240.000 en vermindert de daarop gebaseerde aanslag OZB dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.639,30.