Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2018 in de zaak tussen
Stichting Zorgenloos, te Heesch, eiseres
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“Ingevolge de huidige bepaling moet voor de belastingplichtigheid als ingezetene worden uitgegaan van het gebruik van woonruimte in het algemeen. Dat kan betekenen dat ook bewoners van collectieve woonruimten zoals bejaardentehuizen of studentenflats individueel belastingplichtig zijn. Daartegenover staat de uitleg die het begrip woonruimte heeft verkregen in de rechtspraak, volgens welke voor artikel 18, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren de eis dat het moet gaan om een zelfstandige woonruimte is aanvaard (HR 23 juli 1984, BNB 1984/282). In zijn arrest van 26 juni 1996 (Belastingblad 1996, blz. 431, m.nt. P. de Bruin, Het Waterschap 1996, blz. 478) komt de Hoge Raad op grond van wetshistorische interpretatie tot het oordeel, dat voor de onderhavige heffingsbepaling in de Waterschapswet aan de term woonruimte dezelfde betekenis ware toe te kennen als voor de verontreinigingsheffing krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De Hoge Raad verwijst daarvoor naar de conclusie van de advocaat-generaal. Daarin wijst deze erop, dat bij de totstandkoming van de Waterschapswet voor de onderhavige heffingsbepaling is verwezen naar het stelsel van de verontreinigingsheffing. In het thans voorgestelde nieuwe derde lid wordt, door het daarin onder a opnemen van een begripsbepaling van woonruimte voor de waterschapsomslag, aangesloten bij die jurisprudentie.”(Kamerstukken II, 1998/1999, 26 235, nr. 3, p. 13) De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 juli 1984 (BNB 1984/282, ECLI:NL:HR:1984:AW8590) met betrekking tot artikel 18, tweede lid, van de Wvo het volgende geoordeeld:
“De in deze laatste wetsbepaling getroffen regeling voor de heffing van een forfaitair bepaald gelijk bedrag ‘per woonruimte’ heeft tot strekking de heffing te vereenvoudigen voor een groot aantal gevallen van in omvang ongeveer gelijke vervuiling, te weten die door een gezin of daarmee gelijk te stellen andere leefeenheid in een afzonderlijke woning.”
met een gezin gelijk te stellenandere leefeenheid moet gaan, is echter wel voorstelbaar dat er een getalsmatige bovengrens is, waardoor op een gegeven moment geen sprake meer kan zijn van gelijkstelling met een gezin. In aanmerking genomen dat er ook heden ten dage nog gezinnen van een nog veel grotere omvang dan acht personen voorkomen, is de rechtbank van oordeel dat die bovengrens in het onderhavige geval niet is bereikt.
Beslissing