De rechtbank Oost-Brabant behandelde een bestuursrechtelijke zaak over handhaving van een recreatiewoning en bijbehorende bouwwerken op een perceel in Gemert-Bakel. Eisers waren eigenaar van de recreatiewoning die zonder omgevingsvergunning was gebouwd en kregen een last onder bestuursdwang opgelegd om de bouwwerken te verwijderen. Verweerder verklaarde het bezwaar ongegrond en verlengde de begunstigingstermijn om een legaliserende vergunning aan te vragen.
Eisers voerden onder meer aan dat zij op basis van een brief uit 2010 mochten vertrouwen op de legaliteit van hun woning en dat zij een persoonsgebonden overgangsrecht hadden. De rechtbank oordeelde dat het vertrouwensbeginsel in deze zaak niet kon worden toegepast omdat de brief niet aan eisers was gericht. Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de brief van 16 oktober 2009 en de gevolgen daarvan voor de legalisatie van de bouwwerken.
De rechtbank concludeerde dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door niet adequaat onderzoek te doen naar de aanwezigheid en afmetingen van de bouwwerken op de peildatum en onvoldoende belangenafweging had gemaakt tussen eisers en de ontwikkelaar. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het primaire handhavingsbesluit werd geschorst tot zes weken na het nieuwe besluit. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.