Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2018 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden, verweerder
Procesverloop
€ 10.140,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 2 mei 2016 tot de dag van uitbetaling. Verweerder heeft bij dit besluit tevens het verzoek om vergoeding van rechtsbijstandkosten afgewezen.
Overwegingen
€ 462.000,- was. Partijen verschillen wel met elkaar van mening over de hoogte van de toe te kennen tegemoetkoming.
Nu Thorbecke, anders dan eisers stellen, de inkijk vanuit omliggende woningen in de oude situatie niet wezenlijk vond en heeft geconcludeerd dat het nieuwe bestemmingsplan een grotere inbreuk op de privacy van eisers maakt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het advies van Thorbecke op het punt van de planvergelijking aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.
Over de hoogte van de door Thorbecke vastgestelde waardevermindering overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat eisers geen deskundige in de arm hebben genomen om de hoogte van de waardevermindering vast te stellen. Ter zitting hebben eisers gesteld dat de door hen genoemde waardevermindering van 6% is gebaseerd op andere adviezen in soortgelijke situaties. Eisers hebben dit echter niet nader onderbouwd. Nu verweerder bij de planvergelijking heeft mogen afgaan op het advies van Thorbecke, eisers geen tegenadvies hebben overgelegd en het percentage van 6% onvoldoende is onderbouwd, heeft verweerder mogen uitgaan van een waardevermindering van de woning van € 24.000,-.
Deze grond slaagt niet.
Dat verweerder in 1998 niet wenste mee te werken aan de splitsing van de woning van eisers maakt niet dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat woningbouw ter plaatse past binnen het gevoerde gemeentelijk ruimtelijke beleid, reeds niet omdat de Structuurvisie van latere datum is.
Gelet op de incidentele woningbouw aan de west- en noordzijde van het perceel van eisers en het ontbreken van woningbouw aan de zuidzijde, alsmede gezien de afstand tot het bestaande woonperceel aan de oostzijde en de onbebouwde strook grond aan die zijde die onbebouwd blijft, is naar het oordeel van de rechtbank evenwel sprake van een uitbreidingslocatie en niet van een inbreidingslocatie. De rechtbank is van oordeel dat Thorbecke aan deze ligging onvoldoende gewicht heeft toegekend.
Als daarbij de geringe afstand tot het perceel van eisers in aanmerking wordt genomen, de betrekkelijk zware waardedaling van hun woning en het feit dat de nieuwbouw ook volgens verweerder niet geheel past binnen de bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte aanleiding heeft gezien voor de vaststelling van een hoger percentage van het normaal maatschappelijk risico. Deze grond slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en zal het percentage van het normaal maatschappelijk risico bepalen op 2%. Dit betekent dat het primaire besluit moet worden herroepen en dat eisers in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van € 14.760,- (€ 24.000,- minus € 9.240,-). De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ten onrechte heeft afgewezen.
Ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vergoeden burgemeester en wethouders indien zij een tegemoetkoming als bedoeld in
artikel 6.1 Wro toekennen tevens de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand.
In de uitspraak van 11 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1032, oordeelde de Afdeling dat onder redelijkerwijs gemaakte kosten niet dient te worden verstaan de kosten die de aanvrager met betrekking tot de indiening van de aanvraag heeft gemaakt, maar wel de kosten die de aanvrager maakt vanaf het moment dat de door het college ingeschakelde deskundige een concept-advies dan wel advies over de aanvraag aan het college heeft uitgebracht tot het moment dat het college op de aanvraag een besluit heeft genomen waartegen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld. Daarbij is, aldus de Afdeling, niet van belang of het commentaar van de aanvrager heeft geleid tot aanpassing van het advies. In onder meer de uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1540 heeft de Afdeling overwogen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.5 van de Wro (Kamerstukken II 2002-2003, 28 916, nr. 3, blz. 65) valt af te leiden dat indien een tegemoetkoming in planschade wordt toegekend, aan de aanvrager de kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand worden vergoed, voor zover die kosten redelijkerwijs zijn gemaakt. In het geval kosten zijn gemaakt ten behoeve van het indienen van een zienswijze naar aanleiding van een conceptadvies van een door het college ingeschakelde deskundige, kunnen deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, indien het inroepen van bijstand redelijk was en de kosten van het opstellen van een zienswijze redelijk zijn. Er moet zijn voldaan aan deze dubbele redelijkheidstoets.
Hieraan voegt de Afdeling in de uitspraak van 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3509, nog expliciet toe dat de tarieven van het Besluit proceskosten bestuursrecht hierbij niet van toepassing zijn.
Deze beroepsgrond slaagt.
Proceskostenvergoeding in bezwaar
Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van
8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3022, behoort de behandeling van een zaak in beginsel tot de categorie gemiddeld (met wegingsfactor 1), tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Van dergelijke redenen is niet gebleken. De rechtbank ziet niet in dat het hier een eenvoudige zaak betreft, verweerder heeft dit ook niet nader onderbouwd. Derhalve heeft verweerder de wegingsfactor “licht” (0,5) niet mogen toepassen. De rechtbank stelt de proceskostenveroordeling in bezwaar zelf vast, uitgaande van de wegingsfactor gemiddeld (1).
Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit, bepaalt dat eisers in aanmerking komen voor een tegemoetkoming wegens geleden planschade van € 14.760,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, en voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ex artikel 6.5 Wro van € 974,05;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van