ECLI:NL:RBOBR:2018:5529
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Waarde bedrijfsruimte vastgesteld op €625.000 na onvoldoende bewijs huurwaarde en kapitalisatiefactor
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de waarde van een bedrijfsobject, een bankfiliaal in Vught, centraal. De heffingsambtenaar van de gemeente Vught had de WOZ-waarde vastgesteld op €722.000, welke door eiseres werd betwist. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de huurwaarde en kapitalisatiefactor onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De gehanteerde huurwaarde was gebaseerd op vergelijkbare huurprijzen van kleinere objecten en een algemene inrichtingsprijs voor luxe winkels, terwijl het object specifiek als bankgebouw is ingericht.
De rechtbank wijst erop dat de investeringskosten voor een bankgebouw slechts marginaal bij de huurwaarde mogen worden opgeteld en dat de verschillen in bruto vloeroppervlakte tussen het bedrijfsobject en referentieobjecten onvoldoende zijn verwerkt. Ook de door verweerder gebruikte kapitalisatiefactor is onvoldoende onderbouwd, mede vanwege het ontbreken van vergelijkbare transacties en relevante marktgegevens.
Eiseres heeft zelf een lagere huurwaarde en kapitalisatiefactor voorgesteld, maar ook deze zijn niet aannemelijk gemaakt. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs stelt de rechtbank de waarde van het bedrijfsobject schattenderwijs vast op €625.000. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De WOZ-waarde van het bedrijfsobject wordt vastgesteld op €625.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.