ECLI:NL:RBOBR:2018:6429
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning faalt ondanks lagere waardering vergelijkbare woningen
Eiser betwistte de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €295.000 per peildatum 1 januari 2017, en stelde een lagere waarde van €289.000 voor. Hij voerde aan dat ten minste twee vergelijkbare woningen in de gemeente een lagere WOZ-waarde hadden, wat volgens hem een schending van het gelijkheidsbeginsel betekende.
Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente Best, onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatierapport van een WOZ-taxateur, waarin negen vergelijkingsobjecten werden gebruikt die qua bouwjaar, inhoud en kwaliteit grotendeels overeenkwamen. Tevens werd met een kavelmodel rekening gehouden met verschillen in perceeloppervlakte.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aan zijn bewijslast had voldaan en dat de gebruikte vergelijkingsgroep groter is dan de drie woningen die eiser aanvoerde. Hoewel eiser aannemelijk maakte dat twee woningen lager waren gewaardeerd, kon verweerder aantonen dat deze woningen niet volledig identiek waren qua kwaliteitsniveau en dat de waardering van de woning van eiser niet te hoog was.
De rechtbank verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat er geen sprake was van een niet-incidentele fout in de waardering van de meerderheid van identieke woningen. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde van €295.000 juist is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €295.000 wordt ongegrond verklaard.