ECLI:NL:RBOBR:2019:1962
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.J.H.M. Verhoeven
- D.J. de Lange
- J. Huijben
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek nadeelcompensatie voor gewasschade door waterbeheer Aa en Maas
Eiser heeft schade geleden aan mais- en bietenpercelen door wateroverlast na hevige regenval in juni 2016. Hij vordert nadeelcompensatie op grond van artikel 7.14 van de Waterwet, stellende dat het waterbeheer en onderhoud van het waterschap Aa en Maas onvoldoende waren, mede door het handmatig bedienen van stuwen en het niet tijdig verlagen van het peil.
Het waterschap heeft het verzoek afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard, stellende dat het beheer rechtmatig was en dat bij extreme weersomstandigheden wateroverlast niet altijd te voorkomen is. De rechtbank stelt vast dat het beheer van de stuw een rechtmatige uitoefening van overheidstaken betreft en dat het streefpeil passend is afgestemd op de ligging van de percelen.
Modelberekeningen tonen aan dat het verlagen van de stuw direct na de regenval geen effect zou hebben gehad op de waterstand en de duur van de overstroming. Eiser heeft dit niet weersproken. De rechtbank concludeert dat er geen causaal verband bestaat tussen het waterbeheer en de gewasschade.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het afwijzen van nadeelcompensatie voor gewasschade wordt ongegrond verklaard.