ECLI:NL:RVS:2017:2925
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens omzetschade door hoog water en zandophoping in watergang
Appellant verzocht het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân om vergoeding van omzetschade als gevolg van een tegenvallende maisoogst in 2014, veroorzaakt door hoog water dat niet kon wegstromen door een dichtgeslibde afwateringssloot, de Noedvaart. De oorzaak van het dichtslibben zou liggen in zandzakken die bij de aanleg van een brug waren gebruikt en deels kapot waren gegaan.
Het dagelijks bestuur wees het verzoek af omdat de schade niet het gevolg was van rechtmatige uitoefening van een waterbeheertaak, maar mogelijk voortkwam uit onrechtmatig handelen waarvoor de burgerlijke rechter bevoegd is. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat artikel 7.14 van de Waterwet alleen vergoeding biedt voor schade door rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid. Appellant stelde onrechtmatig handelen door nalatigheid bij het tijdig verwijderen van zandophoping. Dit is geen rechtmatige taakuitoefening en valt buiten de regeling voor nadeelcompensatie. Het verband tussen het plaatsen van zandzakken en de schade was te ver gezocht en niet bewezen.
De Raad van State bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en het dagelijks bestuur en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.