Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
De tenlastelegging.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2016
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2016
hij op of omstreeks 28 januari 2017 te Helmond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
hij op of omstreeks 28 januari 2017 te Helmond een of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen (met geluiddemper) merk Baikal, type Makarov IZH 71, van categorie III voorhanden heeft gehad;
Hij in of omstreeks de periode van 12 april 2016 tot en met 31 januari 2017
10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.
artikel 2 en Pro/of 10a, eerste lid van de Opiumwet. Nu de tenlastelegging ziet op een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een kennelijke misslag waar de tenlastelegging melding maakt van
artikel 2van de Opiumwet in plaats van
artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet, waarin ook wordt verwezen naar artikel 2 van Pro de Opiumwet. De rechtbank leest in het feit
artikel 2als
artikel 10, vierde lid. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
Piz(z)a” wordt genoemd. Van de afnemer is geen naam bekend. Hij wordt geïdentificeerd op grond van het 06-nummer dat hij gebruikt, dat eindigt op [nummer] . Daarnaast zijn er gesprekken tussen [betrokkene 1] en verdachte en er zijn gesprekken tussen verdachte en [betrokkene 2] (twee gesprekken op 24 januari 2017, pagina 2273 en 2274). Uit de loop van al deze gesprekken wordt duidelijk dat ze met elkaar samenhangen. Op grond van de gesprekken kan verder worden vastgesteld dat [betrokkene 1] met de gebruiker van het 06-nummer, dat eindigt op [nummer] , zowel begin december 2016 als op 23 januari 2017, onderhandelt over de levering van cocaïne en de verstrekking van een monster. De rechtbank leidt dit af uit hetgeen tussen beiden in de gesprekken wordt gewisseld en uit het vervolg: gesprekken tussen [betrokkene 1] en verdachte, gesprekken tussen verdachte en [betrokkene 2] (de twee gesprekken op 24 januari 2017) en de resultaten van de doorzoeking op 28 januari 2017 in de berging aan het adres [locatie] te Helmond, die hoort bij de woning van [betrokkene 2] . In de berging werd een kilo cocaïne gevonden met de opdruk “
Piza”.
uit de loods moesten waar de ketel stond” (bedoeld wordt het verhuurbedrijf voor opslagboxen aan de [naam weg] [huisnummer] te Gemert), waarna hij op allerlei manieren direct een bakwagen probeerde te regelen. Een dag later stuurde verdachte de verhuizing van spullen vanaf voornoemd adres in Gemert naar de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven aan. Verdachte had die dag (16 december 2016) veelvuldig contact met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die de verhuizing verrichtten. Verder vroeg verdachte op 9 januari 2017 aan [medeverdachte 4] , die op dat moment in de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven was, hoe lang hij nog bezig was en werd verdachte regelmatig door een van de medeverdachten gebeld zodra deze klaar waren in de loods, bijvoorbeeld op 18 en 24 januari 2017. De rechtbank leidt dit alles af uit tapgesprekken en observatieverslagen en al hetgeen blijkens deze gesprekken en verslagen op de genoemde data is beluisterd en waargenomen.
iets van 160”;
het kon
zout” dat op is.
zout” en dat dat gelet op de prijs vermoedelijk zoutzuur betreft. Zoutzuur is ook aangetroffen in de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven en komt in beeld bij de kristallisatie van MDMA. Op grond hiervan en bij gebreke van een verklaring van verdachte over deze onderzoeksbevindingen, neemt de rechtbank aan dat het gesprek van 11 november 2016 over zoutzuur ging en dat verdachte op dat moment al bezig was met de voorbereidingshandelingen voor de productie van MDMA.
[voornaam medeverdachte]”. Op 16 december 2016 zijn spullen overgebracht vanaf het adres van het verhuurbedrijf voor opslagboxen, de [naam weg] [huisnummer] te Gemert, naar de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven. Het overbrengen van spullen vond plaats nadat de politie bij de eigenaar van het verhuurbedrijf had geïnformeerd naar de huurders van de opslagboxen. Uit de sms-gesprekken komt naar voren dat verdachte zodra hij van [betrokkene 1] hierover verneemt direct actie onderneemt en vervoer gaat regelen om de spullen zo snel mogelijk uit de opslagboxen te laten ophalen. Verdachte belt hierover onder andere met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] en schakelt [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in voor het huren van automaterieel om de spullen zo snel mogelijk te vervoeren naar de loods aan de [naam straat] te Eindhoven. In deze loods wordt op 31 januari 2017 een draaiend laboratorium voor de productie van MDMA aangetroffen.
De bewezenverklaring.
in de periode van 26 januari 2017 tot en met 31 januari 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1;
in de periode van 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017 in Nederland,
in de periode van 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017 te Eindhoven en Helmond en Gemert, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf.
business as usual’voor verdachte was.