Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Veldhoven, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
€ 10.000, volgens eisers gemachtigde het maximale bedrag dat dient te worden toegekend aan de aanbouw (onder aanbouw achtergevel) van 98 m³) en verwijst onder meer naar het taxatierapport van taxateur S. Hansen, opgesteld op 4 juni 2018. Verweerder verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde (€ 497.000) naar de getaxeerde waarde
(€ 512.028), zoals opgenomen in de waardematrix die op 24 april 2019 is opgesteld door taxateur Sanders.
(479 m³) heeft verweerder daarvoor een correctie toegepast. Ook voor het verschil in bouwjaar is gecorrigeerd. Dit heeft geresulteerd in de voor de hoofdbouw van de woning gehanteerde waarde per m³. Uit de matrix volgt dat verweerder rekening heeft gehouden met de overige verschillen, vooral de aanwezigheid en de inhoud van bijgebouwen. Daarbij springt vooral in het oog dat tot de woning een groot aantal bijgebouwen behoort die tezamen een grote deelwaarde vertegenwoordigen (ongeveer in totaal € 136.000). De aanwezigheid van dit groot aantal van aanbouwen/bijgebouwen verklaart deels de hogere waarde van de woning in vergelijking met de vergelijkingsobjecten die niet over een dergelijk groot aantal aanbouwen/bijgebouwen beschikken. Verweerder heeft ten slotte de grondwaarde vastgesteld aan de hand van de in de gemeente gehanteerde grondstaffelmethode, waarbij naar mate de grondoppervlakte groter is, de prijs per vierkante meter lager wordt. De grondstaffel die wordt gehanteerd voor geschakelde en twee-onder-een-kapwoningen in verweerders gemeente en die is gevoegd bij het taxatierapport, is voor alle woningen gelijk. Ook heeft verweerder bij de bepaling van de grondwaarde rekening gehouden met de ligging. Hiervoor heeft verweerder een correctie toegepast op de grondwaarde. Aan hand van deze grondstaffel, en de toegepaste correcties, heeft verweerder inzichtelijk gemaakt op welke wijze de grondwaarde, met inachtneming van de verschillen in perceeloppervlakte, tot stand is gekomen. Eiser heeft de waardeonderbouwing ten aanzien van deze onderdelen niet bestreden, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet de waardebepaling van verweerder in zoverre onjuist te bevinden.
€ 512 en een wegingsfactor 1).
€ 1.788,52 (€ 1.532 + € 256,52).
Beslissing
1 januari 2017, voor het kalenderjaar 2018, vast op € 475.000 en vermindert de daarop gebaseerde aanslag OZB dienovereenkomstig;
drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 6 juni 2019.