Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2019 in de zaken tussen
Recycling Dongen B.V., te Dongen, eiseres
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder
Procesverloop
- een dwangsom van € 2.000,00 per constatering (met een maximum van € 10.000,00) dat sprake is van een overtreding van artikel 2.3, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met voorschrift 2.1.1 van de vigerende omgevingsvergunning, doordat de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau worden overschreden; Deze overtreding moet per direct worden beëindigd;
- een dwangsom van € 80,00 per ton in het resterende gedeelte van het jaar 2017, dan wel in de volgende jaren geaccepteerd en be- en verwerkt A- en/of B-hout, boven de in de vergunning aangegeven capaciteit van 20.000 ton per jaar. Het betreft overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo en/of artikel 2.3 van de Wabo, in samenhang met voorschrift 9.2.2 (onder o) van de vigerende omgevingsvergunning; Deze overtreding moet binnen één maand worden beëindigd;
- een dwangsom van € 1.500,00 per constatering (maximaal één constatering per dag en met een maximum van € 7.500,00) dat artikel 2.3, onder a, van de Wabo, in samenhang met voorschrift 3.1.1 van de vigerende omgevingsvergunning wordt overtreden, doordat sprake is van verspreiding van stof buiten de inrichting bij het nabreken van hout. Deze overtreding moet per direct worden beëindigd.
Overwegingen
- Op 4 oktober 2017 is geen stofoverlast geconstateerd.
- Op 11 oktober 2017 werd bij het geluidimmissiepunt aan de overzijde van het kanaal een houtstoflaag op het kanaal aangetroffen en werd hout geproefd. Op dat moment werd geconstateerd dat de shredder niet meer in werking was en er werd schoongemaakt.
- Op 12 oktober 2017 werd een houtstoflaag op het kanaal aangetroffen. Er werd op dat moment geshredderd. De rapportage vermeldt niet dat er stofverspreiding werd waargenomen.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;
- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit 1 en het invorderingsbesluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 1, voor zover het betrekking heeft op voorschrift 3.1.1 van de vigerende omgevingsvergunning;
- herroept primair besluit 1, voor zover het dit voorschrift betreft, en bepaalt dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 1;
- vernietigt het invorderingsbesluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00;
- bepaalt dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 338,00 moet vergoeden.