ECLI:NL:RVS:2019:359
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging huisverbod ondanks voorlopige hechtenis en detentie wegens huiselijk geweld
De burgemeester legde op 29 december 2017 een tijdelijk huisverbod op aan appellant vanwege een melding van mishandeling van zijn hoogzwangere vriendin, waarbij appellant onder invloed en omringd door drugsresten werd aangetroffen. Het huisverbod werd verlengd op 4 januari 2018. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Appellant voerde aan dat het huisverbod niet gerechtvaardigd was omdat hij op dat moment in voorlopige hechtenis zat en dat het huisverbod een onrechtmatige inmenging in zijn familie- en gezinsleven vormde. De Raad van State oordeelde dat het huisverbod een bestuursrechtelijke maatregel is die losstaat van de strafrechtelijke procedure en dat het verbod ook het contact met de achterblijvers betreft. Daarom bleef het huisverbod gerechtvaardigd ondanks de detentie.
Verder oordeelde de Raad dat de burgemeester het huisverbod mocht opleggen om strafbare feiten te voorkomen en de gezondheid van de vriendin te beschermen, zonder strijd met artikel 8 EVRM Pro. Ook de verlenging van het huisverbod werd gegrond verklaard omdat appellant geen reële aanvang met hulpverlening had gemaakt en het gevaar niet was geweken.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het huisverbod en de verlenging daarvan worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.