Eiseres vroeg een omgevingsvergunning aan voor de bouw van een stal bij haar geitenhouderij. Verweerder weigerde deze vergunning op grond van nieuwere regelgeving en gewijzigde inzichten over risico’s voor de volksgezondheid. De rechtbank stelde vast dat de aanvraag niet in strijd was met het toen geldende bestemmingsplan en de provinciale ruimtelijke verordening.
De rechtbank oordeelde dat het bevoegd gezag in principe moet toetsen aan het recht dat gold op het moment van de aanvraag, tenzij sprake is van een voorbereidingsbesluit of een ontwerpbestemmingsplan dat het bouwplan niet toestaat. Verweerder had niet de bevoegdheid om achteraf strengere regels toe te passen die nadelig waren voor eiseres, omdat zij op het oude recht mocht vertrouwen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en beval verweerder binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de aanvraag getoetst moet worden aan het recht bij indiening. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.