Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
De heer [eiser] geeft aan dat hij nu nog steeds doorwerkt in zijn eigen bedrijf maar dat het werk meer toeziendhoudend van aard is geworden en dat voor de uitvoerende werkzaamheden ZZP-ers worden ingehuurd. Hiermee zijn er nog steeds verdiensten maar is zijn aandeel in het realiseren ervan minder geworden. Hierop werd aangegeven dat bij de beoordeling van verdiensten (bij vrijwillige verzekering WIA) het niet zozeer van belang is wie de arbeid verrichten maar dat de beoordeling zal plaatsvinden op verlies van verdiensten en daarbij wordt uitgegaan van het fiscaal resultaat dat aan de klant wordt toegerekend. Uitgelegd werd dat van de verdiensten die de resterende verdiencapaciteit overschrijden 70% wordt gekort. Hiermee is het niet zeker dat de verhoging van de mate van arbeidsongeschiktheid ook een verhoging van de uitkering betekent. De heer [eiser] geeft aan dat het hem nu duidelijk is hoe de beoordeling van de verdiensten in elkaar zit.” Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank juist dat de arbeidsdeskundige eiser juist heeft voorgelicht. Verweerder heeft ter zitting verklaard nog navraag te hebben gedaan bij mevrouw Rijbroek of nadien nog nadere afspraken met eiser zijn gemaakt, maar zij betwist dat.