Appellant was werkzaam bij een werkgever en ontving een beëindigingsvergoeding na beëindiging van het dienstverband. Hij vroeg een WIA-uitkering aan, waarbij het UWV het dagloon berekende op basis van het loon in het refertejaar. Appellant maakte bezwaar tegen de berekening, met name over de wijze van toerekening van WW-uitkeringen en de verdeling van het loon over het aantal dagen in het refertejaar.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af. De rechtbank oordeelde dat het loon, inclusief WW-uitkering, alleen mag worden meegenomen als het daadwerkelijk in het refertejaar is ontvangen en dat het aantal dagen in het refertejaar niet kan worden verminderd.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onterecht het aantal dagen in het refertejaar op 261 hield, terwijl hij meende dat dit lager moest zijn vanwege de achteraf betaalde WW-uitkering. De Raad overwoog dat het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen strikt de hoofdregel voorschrijft en dat afwijking daarvan niet mogelijk is, behalve in specifieke gevallen die hier niet van toepassing zijn.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat het UWV geen ondubbelzinnige toezegging had gedaan om af te wijken van de hoofdregel. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.