Een werknemer met een slapend dienstverband vordert in kort geding dat zijn werkgever de arbeidsovereenkomst vóór het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd opzegt en hem de wettelijke transitievergoeding toekent. De werknemer is sinds 2017 volledig arbeidsongeschikt en ontvangt een WIA-uitkering. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst in stand gehouden zonder loonbetaling en weigert tot opzegging over te gaan.
De werknemer beroept zich op een mondelinge toezegging van de werkgever en op de Wet compensatie transitievergoedingen (WCT) die per 1 april 2020 in werking treedt, waardoor werkgevers gecompenseerd worden voor betaalde transitievergoedingen bij langdurige arbeidsongeschiktheid. De werkgever betwist de toezegging en stelt dat zij niet verplicht is tot opzegging, mede vanwege het financiële belang en het ontbreken van een wettelijke verplichting.
De kantonrechter oordeelt dat de mondelinge toezegging onvoldoende aannemelijk is en dat de WCT geen verplichting tot opzegging schept. De jurisprudentie bevestigt dat werkgevers beleidsvrijheid hebben bij slapende dienstverbanden en niet verplicht zijn tot opzegging. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege bij het bereiken van de AOW-leeftijd en de werknemer heeft op dat moment geen recht op transitievergoeding. De vordering wordt afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.