ECLI:NL:RBOBR:2019:4310

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 juli 2019
Publicatiedatum
17 juli 2019
Zaaknummer
18/3250
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.1 Wsf 2000Art. 7.4 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen herziening studiefinanciering wegens gewijzigde ouderlijke inkomensgegevens

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder (minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) waarbij een herziening van de studiefinanciering is doorgevoerd. Verweerder stelde vast dat eiser in 2018 te veel aanvullende beurs had ontvangen, omdat de inkomensgegevens van zijn vader hoger waren dan eerder aangenomen. Dit leidde tot een terugvordering van € 1.795,56.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser per juli 2018 met zijn opleiding is gestopt en dat de aanvullende beurs voor januari tot en met juni 2018 administratief is gewijzigd op basis van nieuwe inkomensgegevens van de belastingdienst. Eiser voerde aan dat geen rekening gehouden moest worden met het inkomen van zijn vader, omdat diens alimentatiebetalingen onregelmatig waren en oninbaar zouden zijn, maar hij kon dit niet aantonen met een verklaring van het LBIO.

De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was tot herziening op grond van de Wet studiefinanciering 2000 en dat het beleid van verweerder om volledig te herzien niet onrechtmatig was. Ook was niet gebleken dat de gebruikte inkomensgegevens onjuist waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het herzieningsbesluit studiefinanciering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 18/3250

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: D. Brokken),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, t.a.v. Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verweerder
(gemachtigde: drs. P.M.S. Slagter).

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij in 2018 te veel studiefinanciering heeft gehad. Eiser moet de teveel betaalde studiefinanciering terugbetalen. Het gaat om een bedrag van € 1.795,56.
Bij besluit van 30 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2019. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 4 december 2017 heeft verweerder eiser bericht dat de inkomensgegevens van zijn moeder nodig zijn voor de berekening van zijn aanvullende beurs voor 2018. Deze gegevens zal verweerder opvragen bij de belastingdienst. Eiser krijgt opnieuw bericht zodra de inkomensgegevens van de belastingdienst zijn ontvangen. De basisbeurs heeft verweerder vastgesteld op € 82,56. Eiser is per juli 2018 gestopt met zijn opleiding. Op 11 september 2018 heeft verweerder een administratieve wijziging doorgevoerd en daarbij de aanvullende beurs voor januari tot en met juni 2018 vastgesteld op € 336,96. Op 4 oktober 2018 heeft verweerder opnieuw een administratieve wijziging doorgevoerd en de aanvullende beurs voor januari tot en met juni 2018 vastgesteld op € 37,70. Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals hierboven vermeld onder ‘Procesverloop’.
2. De hoogte van de aanvullende beurs is afhankelijk van het inkomen van de ouders van eiser. Op basis van het inkomen van beide ouders - zoals dat door de belastingdienst is vastgesteld - berekent verweerder een ‘veronderstelde ouderlijke bijdrage’ en bepaalt aan de hand daarvan de (hoogte van de) aanvullende beurs. Als uitzondering op deze hoofdregel wordt bij de berekening van de aanvullende beurs geen rekening gehouden met het inkomen van de ouder, waarvan de vastgestelde alimentatie al voor tenminste een jaar, voor de ingangsdatum van de studiefinanciering, oninbaar is. Dat de alimentatie oninbaar is moet worden aangetoond met een verklaring van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO).
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de belastingdienst in september 2018 een hoger inkomen over 2016 van eisers vader heeft doorgegeven. Dit is voor verweerder aanleiding geweest de aanvullende beurs opnieuw vast te stellen. Door deze wijziging in het inkomen over 2016 van de vader is de veronderstelde ouderlijke bijdrage verhoogd en de aanvullende beurs met een zelfde bedrag verlaagd. Het gevolg is dat eiser in de periode januari 2018 tot en met juni 2018 € 1.795,56 teveel aanvullende beurs heeft gehad.
4. Ingevolge artikel 7.1, eerste lid, aanhef en onder a en f, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) kan verweerder een beschikking herzien waarbij studiefinanciering is toegekend, dan wel de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt vastgesteld of gewijzigd.
5. In artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 is – voor zover hier van belang – bepaald dat herziening plaatsvindt op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend of de veronderstelde ouderbijdrage te hoog of te laag is vastgesteld.
6. Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt – voor zover hier van belang – indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, het bedrag van de aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald door betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser noch in bezwaar noch in beroep het standpunt heeft ingenomen dat in het herzieningsbesluit, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar, de hoogte van de aanvullende beurs onjuist is vastgesteld. Ook heeft eiser niet aangevoerd dat het bedrag dat moet worden terugbetaald onjuist is vastgesteld. Wel heeft eiser aangevoerd dat geen rekening moet worden gehouden met het inkomen van zijn vader. Eiser heeft de aanvullende beurs aangevraagd omdat zijn vader niet in beeld is. Sinds 2009 is zijn vader gedeeltelijk gestopt met het betalen van alimentatie. Op momenten heeft zijn vader zelfs helemaal niets betaald. De moeder van eiser is uiteindelijk zeven jaar bezig geweest om de alimentatie met behulp van een deurwaarder te innen. Vanaf hun 18e tot hun 21e heeft eiser zelf de alimentatie van vader via de deurwaarder moeten innen.
8. De rechtbank overweegt dat in wat eiser heeft aangevoerd, geen grond gelegen is om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Verweerder heeft op grond van de Wsf 2000 de bevoegdheid om toegekende studiefinanciering te herzien als sprake is van gewijzigde gegevens (inkomsten). Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot herziening op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 voert verweerder een beleid inhoudende dat steeds volledig wordt herzien. Daarop wordt slechts een uitzondering gemaakt in die gevallen waarin verweerder meerdere malen een fout heeft gemaakt bij de verwerking van dezelfde gegevens en de studerende bovendien redelijkerwijs niet kon weten dat sprake was van een onjuist besluit. Zie onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 juli 2006 (ECLI:NL:CRVB2006:AY6149). Het bestreden besluit is niet strijdig met dit beleid. De rechtbank is ook niet gebleken dat de door verweerder gebruikte inkomensgegevens onjuist zijn. Voorts is niet aan de vereisten voldaan om, als uitzondering op de hoofdregel dat bij berekening van de aanvullende beurs met het inkomen van beide ouders rekening wordt gehouden, enkel met het inkomen van de moeder van eiser rekening te houden. Eiser heeft namelijk geen verklaring van het LBIO overgelegd waaruit blijkt dat de alimentatie van vader al voor tenminste een jaar, voor de ingangsdatum van de studiefinanciering, oninbaar was.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, rechter, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 18 juli 2019.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.