ECLI:NL:RBOBR:2019:4374
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen verhoging AOW-leeftijd en beoordeling onevenredige last
Eiser heeft een AOW-pensioen aangevraagd dat met ingang van 11 augustus 2018 is toegekend, conform de gewijzigde AOW-leeftijd. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen deze datum ongegrond verklaard en het beroep van eiser is door de rechtbank afgewezen.
De rechtbank overweegt dat de verhoging van de AOW-leeftijd wettelijk is voorzien en geen schending vormt van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Hoewel de verschuiving van de AOW-leeftijd een inmenging in het eigendomsrecht inhoudt, is deze in het algemeen proportioneel en leidt deze niet tot een onevenredig zware last. De beoordeling van een individuele onevenredige last vereist een gedegen feitenonderzoek.
Verweerder heeft beleidsmatig aangesloten bij de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) en een individueel onderzoek gedaan. Eiser voldoet niet aan de OBR-voorwaarden en heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door de verhoging een onevenredig zware last draagt. Het afsluiten van een tweede hypotheek en het gestegen spaartegoed wijzen niet op een schrijnende situatie.
De rechtbank concludeert dat eiser tijdig op de hoogte had kunnen zijn van de AOW-verhoging en niet tijdig actie heeft ondernomen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de verhoging van de AOW-leeftijd wordt ongegrond verklaard.