Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Aanslag OZB
WOZ-waarde.
Correctie afwijking standaardgrootte stallen
Wanneer bijvoorbeeld sprake is van een een WOZ-object dat bestaat uit een aan elkaar gebouw complex van ligboxenstallen die hetzelfde bouwjaar hebben en vergelijkbaar zijn qua bouwwijze, wordt in de taxatie uitgegaan van één deelobject waarover de correctie voor grootte wordt toegepast. Het mag daarbij niet uitmaken of de stallen als één WOZ-deelobject, of als vier deelobjecten zijn geregistreerd. Deze combinatie is in ieder geval aan de orde wanneer binnen het WOZ-object meerdere WOZ-deelobjecten voorkomen met hetzelfde archetype en hetzelfde bouwjaar. Maar ook bij verschillende archetypen (bijvoorbeeld door een verschil in materiaalcode) of verschillende bouwjaren kan het bij elkaar optellen van de grootte van meerdere WOZ-deelobjecten aan de orde zijn, om in de taxatie rekening te kunnen houden met de “afnemende meerwaarde” bij zeer grote bedrijven. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet, moet de taxateur hiervoor zelf een bewuste inschatting maken, omdat TIOX hierin niet voorziet.”.
artikel 18, derde lid, onder c, van de Wet WOZ. De Verordening betreft algemene regelgeving, die een grote groep van (agrarische) bedrijven in een hele provincie raakt, waaronder - zoals door verweerder ook op de zitting is erkend - het bedrijf van eiser. Er kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat enkel bepaalde, nauwkeurig aan te wijzen objecten worden geraakt. Dat betekent voor deze procedure dat de waarde van het agrarisch object conform de hoofdregel uit artikel 18, eerste lid, van de Wet WOZ naar de toestand op de waardepeildatum 1 januari 2017 moet worden bepaald.