Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[Stichting], te Eindhoven
(vergunninghoudster).
Procesverloop
Voor vergunninghoudster is [naam] verschenen.
Beslissing
Overwegingen
Feiten
Eiser is sinds 1996 eigenaar van het perceel en het bedrijfsgebouw aan de [adres] , aan de overkant van de beoogde bouwlocatie, welk perceel is gelegen op het bedrijventerrein ‘ [naam] ’.
Aanvrager vergunning
Heijmans One-woningen
Toepassing artikel 2.12 Wabo
Besluit mer.
Echter, daartegenover staat dat het perceel aan de ene kant grenst aan een bedrijfsbestemming en aan de andere kant aan een woonbestemming. Verder kan de ruimtelijke uitstraling van de woonunits op de omgeving gezien de omvang daarvan, de overige bebouwing in de omgeving, waaronder bedrijven, detailhandel, horeca en woningen, en de ontsluiting van het perceel die voor voet- en fietsverkeer plaatsvindt op de Wettenseind en voor autoverkeer op de Spegelt als relatief beperkt wordt beschouwd. In dat geval moet worden geoordeeld dat het project niet als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor kan worden aangemerkt. Hieruit volgt dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van het Bor, deze tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. Deze grond faalt.
Verder vreest eiser voor overlast voor de omgeving bij de realisatie van het bouwplan. Bekend probleem is volgens eiser dat wooneenheden voor éénpersoonshuishoudens feitelijk bewoond gaan worden door meerdere personen en verweerder doorgaans niet handhavend zal optreden.
Wat het perceel van eiser betreft wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter voor een categorie 3.2-bedrijf in gemengd gebied, waarmee een voldoende goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd, aldus verweerder. Over de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie stelt verweerder dat daarbij als voorwaarde geldt dat het dient te gaan om bedrijfsactiviteiten die qua aard, omvang en invloed op het milieu en de omgeving gelijk te stellen zijn met categorie 3.2-activiteiten.
Ten aanzien van de gevreesde overlast voor de omgeving stelt verweerder dat het gaat om kleine huisjes, die zijn ontworpen om te worden bewoond door één persoon. Hoewel aan de bewoning geen voorwaarden zijn gesteld in de omgevingsvergunning en bewoning door een ouder met kind mogelijk is, is de enkele vrees voor overtredingen en dat daarop niet zal worden gehandhaafd, geen reden om geen omgevingsvergunning te verlenen.
Indien de omgeving is aan te merken als ‘gemengd gebied’, kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen omschreven. De ‘rustige woonwijk’ is een wijk waar, afgezien van wijkgebonden voorzieningen, vrijwel geen andere functies zoals bedrijven of kantoren voorkomen. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied waar naast wonen ook functies als winkels, horeca, kleine bedrijven of agrarische bedrijvigheid te vinden zijn.
Gelet op de functies die in de nabije omgeving voorkomen en het karakter van het gebied, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet uit kon gaan van een karakterisering van het genoemde gebied als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. Van een wettelijk aan te houden richtafstand van 100 meter voor zijn perceel is dan ook geen sprake. Verweerder heeft mogen uitgaan van een richtafstand van 50 meter. Verder is gesteld noch gebleken dat de afstand van 50 meter tot eisers perceel op onjuiste wijze is vastgesteld.
Voor de bedrijven ten westen en ten noorden van het Witte Hondpad wordt volgens de ruimtelijke onderbouwing niet voldaan aan de geldende richtafstanden, maar deze bedrijven worden reeds beperkt in de uitbreidingsmogelijkheden vanwege de aanwezigheid van woningen aan de Opwettenseweg. Niet is gebleken dat dit uitgangspunt onjuist is. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het project geen (nieuwe) belemmering vormt voor de toegestane bedrijfsactiviteiten in de omgeving en dat voor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat niet behoeft te worden gevreesd.
Verder is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de bewoning van de woonunits dusdanige overlast voor de omgeving met zich zal brengen dat verweerder hierom geen vergunning had mogen verlenen. Deze gronden slagen niet.
30 april 2019 een nieuwe ruimtelijke onderbouwing is opgemaakt. Daarin is een voetnoot met onjuiste stellingen over de ligging van de units en de milieucontour van [adres] opgenomen die niet te zien is in de ruimtelijke onderbouwing van 10 oktober 2018. Verder blijkt uit het voorblad van de ruimtelijke onderbouwing van 30 april 2019 dat er nog een ruimtelijke onderbouwing moet zijn geweest van 11 oktober 2018. De rechtbank dient daarom uit te gaan van de eerste ruimtelijke onderbouwing van 10 oktober 2018 (zonder voetnoot).
Wat de voetnoot in de oorspronkelijke ruimtelijke onderbouwing betreft stelt verweerder dat die voetnoot wel in de tekst is aangegeven met een verwijzingsnummertje, maar onderaan de bladzijde niet is weergegeven. In de ruimtelijke onderbouwing bij het bestreden besluit is deze voetnoot wel te lezen. De hierin vermelde feiten zijn volgens verweerder correct.
Over de data van de ruimtelijke onderbouwingen stelt verweerder dat 11 oktober 2018 de datum van het besluit is en niet de datum van de oorspronkelijke onderbouwing, zijnde
10 oktober 2018. Bij de aanpassing van de onderbouwing is geen sprake van een ‘ex nunc-truc’. In het bestreden besluit is rekening gehouden met het feit dat het onderliggende bestemmingsplan intussen was gewijzigd. De aangepaste ruimtelijke onderbouwing dateert van 4 april 2019 en is op die dag geregistreerd. Om die reden staat in voetnoot 2 van het bestreden besluit de datum 4 april 2019. Op het schutblad van de onderbouwing zelf staat de datum van het bestreden besluit, te weten 30 april 2019.
Verweerder heeft hierover gesteld dat het perceel bij besluit van 1 augustus 2017 als voorkeurslocatie is aangewezen. Daaraan voorafgaand zijn verschillende mogelijke locaties
tegen elkaar afgewogen, waarbij is gekeken naar de beschikbaarheid van de locaties, de ligging daarvan ten opzichte van de voorzieningen en of de locatie eerder is gebruikt voor (crisis)opvang. Het perceel aan het Witte Hondpad scoorde als beste. De particuliere locaties [adres] en [adres] zijn vanwege hun ligging grenzend aan tuinen van derden stedenbouwkundig niet geschikt bevonden voor de beoogde huisvesting. Bovendien wilden deze ontwikkelaars daar een permanente bestemming voor woondoeleinden.
Ten aanzien van eisers perceel heeft verweerder gesteld dat dit direct grenst aan bedrijfspercelen waar volgens het bestemmingsplan zich milieucategorie 3.2-bedrijven zouden kunnen vestigen. Dit acht verweerder planologisch niet aanvaardbaar.
Conclusie
De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in redelijkheid het bestreden besluit heeft kunnen nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
4 november 2019.