Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van een legesaanslag van € 3.689,84 die verweerder oplegde voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit. De aanslag is berekend op basis van genormeerde bouwkosten uit de ROEB-lijst, terwijl eiser stelde dat de werkelijke bouwkosten aanzienlijk lager waren en dat de aanslag daardoor onredelijk en buiten proportie was.
De rechtbank constateert dat de ROEB-lijst als heffingsmaatstaf op juiste wijze is bekendgemaakt en dat de tijdelijke woonunit valt onder de categorie 'woonunit' in deze lijst. De rechtbank stelt vast dat eiser niet de werkelijke bouwkosten heeft gesteld, maar slechts de koopsom van het bouwwerk, waardoor zijn betoog niet opgaat.
Verder overweegt de rechtbank dat de gemeente binnen haar beleidsvrijheid mag kiezen voor genormeerde bouwkosten als heffingsmaatstaf en dat dit niet in strijd is met de wet of een algemeen rechtsbeginsel. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat vergelijkbare gevallen betrekking hadden op een andere Legesverordening.
De rechtbank concludeert dat de legesaanslag niet onredelijk of willekeurig is en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.