ECLI:NL:RBOBR:2019:7088
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verrekening aflossing geldlening bijstand wegens niet inachtneming beslagvrije voet
Eiser ontvangt samen met zijn partner een bijstandsuitkering en kreeg bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor woninginrichting. Verweerder besloot een bedrag van €70,87 per maand in te houden op de bijstandsuitkering voor aflossing van deze lening, zonder rekening te houden met de beslagvrije voet. Eiser stelde dat dit in strijd is met artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
De rechtbank oordeelt dat verweerder op grond van artikel 51 van Pro de Participatiewet bevoegd is de hoogte en duur van aflossing vast te stellen, mits dit niet onevenredig bezwarend is. Bij verrekening van de aflossing met de bijstandsuitkering moet verweerder de beslagvrije voet respecteren, zodat het inkomen van eiser niet onder deze voet komt. Verweerder heeft dit niet gedaan en onvoldoende gemotiveerd waarom het aflossingsbedrag niet onevenredig bezwarend is.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de beslagvrije voet. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot verrekening van de aflossing wordt vernietigd wegens niet inachtneming van de beslagvrije voet.