De provincie Noord-Brabant heeft op grond van een Koninklijk Besluit twee percelen aangewezen voor onteigening ten behoeve van de aanleg van een randweg in een gemeente. De rechtbank heeft de vervroegde onteigening uitgesproken, ondanks dat de provincie niet op de voorgeschreven wijze de Staatscourant heeft gedeponeerd, omdat dit geen materiële of procedurele schade voor de gedaagde opleverde.
De gedaagde verzet zich niet tegen de vervroegde onteigening maar betwist het bedrag van de schadeloosstelling. De rechtbank heeft het voorschot op de schadeloosstelling vastgesteld op 90% van het door de provincie aangeboden bedrag, te weten €346.841,10, en een zekerheidstelling van €38.537,90 bepaald.
Daarnaast heeft de rechtbank deskundigen benoemd om de schadeloosstelling definitief te begroten en termijnen vastgesteld voor het conceptrapport, reacties van partijen en het definitieve rapport. Verder is bepaald dat de eigendom van de percelen vrij zal zijn van lasten en rechten na inschrijving van het vonnis in de openbare registers.