Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
31 maart 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de vergoeding van omzetbelasting (btw) die in rekening is gebracht over kosten van juridische en deskundige bijstand in een onteigeningsprocedure. De rechtbank Oost-Brabant had de btw buiten beschouwing gelaten bij de schadeloosstelling aan de onteigende partij, omdat zij aannam dat de onteigende de btw had verrekend of dat dit nog kon gebeuren.
De Hoge Raad stelt dat de rechtbank niet heeft vastgesteld of de levering van het onteigende goed vrijgesteld is van btw of juist belast, hetgeen bepalend is voor de vraag of de btw op de kosten vergoed moet worden. De onteigeningsrechter moet zelfstandig onderzoeken welke schadevergoeding inclusief btw aan de onteigende toekomt, ongeacht de stellingen van partijen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis van 21 juli 2021 en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Provincie in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof voor nader onderzoek naar de btw-vergoeding.