ECLI:NL:RBOBR:2020:3061

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 juni 2020
Publicatiedatum
18 juni 2020
Zaaknummer
C/01/351964 / FA RK 19-5126
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 Wet BopzArt. 18 lid 1 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voortgezet verblijf wegens ontbreken verblijf in psychiatrisch ziekenhuis

De officier van justitie verzocht op 29 oktober 2019 om een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank verleende op 21 november 2019 een machtiging tot voortgezet verblijf tot 9 mei 2020. Betrokkene stelde cassatie in bij de Hoge Raad, die op 24 april 2020 het vonnis vernietigde en de zaak terugverwees naar de rechtbank Oost-Brabant.

De Hoge Raad oordeelde dat een machtiging tot voortgezet verblijf alleen kan worden verleend indien betrokkene verbleef in een psychiatrisch ziekenhuis zoals bedoeld in de Wet Bopz. De locatie waar betrokkene verbleef, Doctor Poletlaan 91 te Eindhoven, was niet als zodanig aangemerkt. De rechtbank concludeerde dat aan deze voorwaarde niet was voldaan en wees het verzoek daarom af.

De beslissing werd genomen zonder zitting, aangezien betrokkene en zijn raadsman geen zitting wensten en de officier van justitie geen bezwaar maakte. De rechtbank wees het verzoek formeel af en stelde dat de machtiging tot voortgezet verblijf niet kan worden verleend zonder verblijf in een erkend psychiatrisch ziekenhuis.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot voortgezet verblijf wordt afgewezen omdat betrokkene niet verbleef in een erkend psychiatrisch ziekenhuis.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/351964 / FA RK 19-5126 Uitspraak : 9 juni 2020
Beschikking naar aanleiding van het door de officier van justitie op 29 oktober 2019 ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van:

[betrokkene] ,

hierna mede te noemen: de betrokkene, [geboortedatum] , [geboorteplaats] ,
wonende te [plaatsnaam en adres] , verblijvende: [verblijfplaats] .

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • een verzoek van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2019, ingekomen ter griffie op 29 oktober 2019;
  • een op 8 oktober 2019 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur van bovengenoemd psychiatrisch ziekenhuis.
  • een behandelingsplan d.d. 25 oktober 2019 en de voortgangsrapportage, waaronder de medische aantekeningen.
De officier van justitie verzoekt een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.
Op 21 november 2019 heeft de behandeling van de zaak plaatsgevonden. Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.
Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de rechtbank naar aanleiding van dat verzoek van de officier van justitie een machtiging tot voortgezet verblijf verleend om betrokkene te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis van 21 november 2019 tot en met 9 mei 2020.
Op 21 februari 2020 heeft betrokkene een verzoekschrift in cassatie ingediend bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft op 24 april 2020 de beschikking van deze rechtbank vernietigd en het geding terugverwezen naar de rechtbank Oost-Brabant ter verdere behandeling en beslissing.
Bij brief van 19 mei 2020 heeft de raadsman van betrokkene aan de griffie van de rechtbank bericht dat wat betrokkene en zijn raadsman betreft er geen zitting behoeft plaats te vinden en de uitspraak op de stukken kan worden gedaan.
De officier van justitie heeft niet aangegeven daartegen bezwaar te hebben.
Zaaknummer: C/01/351964 / FA RK 19-5126 2

De beoordeling

De Hoge Raad heeft in voornoemde beschikking van 24 april 2020 onder andere het volgende overwogen:
“3.1. Onderdeel I van het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte de verzochte machtiging heeft verleend, nu een machtiging tot voortgezet verblijf slechts kan worden verleend indien de betrokkene verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz (oud). Volgens het onderdeel was de locatie Doctor Poletlaan 83 ten tijde van het verlenen van de beschikking van de rechtbank niet aangemerkt als een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz (oud).
3.2.
Onder een psychiatrisch ziekenhuis wordt ingevolge art. 1 lid Pro 1, aanhef en onder h, Wet Bopz (oud), voor zover hier van belang, verstaan: een door de minister als “psychiatrisch ziekenhuis” aangemerkte zorginstelling of afdeling daarvan. De op dit voorschrift gebaseerde Regeling aanmerking psychiatrisch ziekenhuis Bopz bepaalt in art. 1 lid 1 dat Pro als zodanig worden aangemerkt “de zorginstellingen en afdelingen van zorginstellingen, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling”. In de per 7 mei 2019 geldende versie van deze bijlage
(Stcrt. 2019, 24942, p.4)is de locatie Doctor Poletlaan 83 – anders dan de locaties Doctor Poletlaan 23a, 25, 36, 64, 66, 72, 80, 84 en 86 – niet aangemerkt als “psychiatrisch ziekenhuis”. Dit geldt ook voor de in het verzoekschrift van de officier van justitie genoemde locatie Doctor Poletlaan 91 (..). In cassatie moet derhalve ervan worden uitgegaan dat betrokkene ten tijde van de beschikking van de rechtbank niet verbleef in een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de wet. Een dergelijk verblijf is echter op grond van art. 18 lid 1 Wet Pro Bopz (oud) vereist voor de verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf als in die bepaling bedoeld
(zie onder meer HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3254). De klacht is dus gegrond. In het verlengde hiervan slaagt ook onderdeel III.
3.3.
Onderdeel II behoeft geen behandeling.“
De rechtbank oordeelt met inachtneming van het vorenstaande dat betrokkene ten tijde van het verzoek van 29 oktober 2019 van de officier van justitie (toen betrokkene verbleef in een locatie aan de Doctor Poletlaan 91 te Eindhoven welke locatie evenmin is aangemerkt als een “psychiatrisch ziekenhuis” in de zin van artikel 1, lid 1, aanhef en onder h Wet Bopz) en ten tijde van de beoordeling van dat verzoek door de rechtbank niet verbleef in een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz. Een dergelijk verblijf is echter op grond van art. 18 lid 1 Wet Pro Bopz vereist voor de verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf als in die bepaling bedoeld.
De rechtbank zal derhalve alsnog het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf ten aanzien van betrokkene afwijzen.

De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.M.T. Franke, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 9 juni 2020.

Voor afschrift afgegeven aan:

 bestuur van de Inspectie gezondheidszorg (+ geneeskundige verklaring)
 officier van justitie
 betrokkene
 raadsman